Stront eigen-wijs. Zo noemde 'men' mij al toen ik nog een ukkepuk was. En 'men' had groot gelijk. Ik was stront eigen-wijs. Ik ben het nog steeds. Ik doe de dingen verschrikkelijk, krankzinnig, gigantisch graag op mijn eigen manier. Op mijn stront eigen wijze. Dat wil niet zeggen dat alles op mijn manier moet gaan. Dat kan ook niet. Het is een illusie om te denken dat je volledige controle hebt over het leven, laat staan over mensen. Niemand heeft dat. En ik kan het heerlijk vinden om de touwtjes even uit handen te geven. Maar in mij zit zo'n behoefte aan... Het is een behoefte aan vrijheid. Laat ik het zo maar noemen, vrijheid. Niet dat ik wil rond neuken en me niet wil binden en alles, zo bedoel ik het niet. Ik ben geen slettebak, dat ben ik nooit geweest en dat zal ik ook nooit worden want ik mis de slet-factor, en ik kan het heel fijn vinden om een vaste relatie te hebben. Ook heb ik absoluut geen zin om in m'n eentje (of samen) in een stenen hutje op een of ander winderig eilandje te gaan zitten en mezelf los te rukken van de consumptie maatschappij. Voor mij is dat geen vrijheid, ik zou hartstikke gek worden, echt waar. Het is iets anders. Vrijheid betekent voor mij zonder dwang. Zonder dwang van buiten en in alle vrijheid kunnen denken en voelen wat ik wil en keuzes kunnen maken die zijn gebaseerd op wat mijn hoofd, mijn hart en mijn intuïtie mij vertellen, zonder daarop veroordeeld te worden. Je hoeft het niet met me eens te zijn (als ik het maar eens ben met mezelf) maar je zult mij er niet om veroordelen. Wat ik me afvraag is in hoeverre ik zo eigen-wijs ben geworden door mijn jeugd. Hoe zou ik zijn geworden als ik een gelukkige jeugd had gehad? Zonder struggles, zonder angst, zonder al die rottigheid. Zonder dwang. Zou ik de vrouw zijn die ik nu ben als de dingen anders waren gegaan, als ze beter waren gegaan? Ik denk het niet. Wie ik ook had kunnen worden, ik zou niet deze Yvonne zijn geweest.
Natuurlijk ben ik meer dan alleen het product van mijn opvoeding. Je gaat mij niet vertellen dat ik de uitkomst ben van een wiskundige formule waarbij x staat voor terreur en y voor het aantal jaren ... Ik geloof graag dat in elk mens een stukje zit dat helemaal van haar of hem is. De kern, de pit, de essentie. Is het je ziel? Ik weet het niet, ik vind dat zo'n ongrijpbaar woord. Wat is een ziel? Maar het maakt op zich niet uit hoe je het noemt. Het is dat ene stukje in jou waar niemand aan kan komen en wat niet gestolen kan worden omdat het daar te sterk voor is. Dat stukje, het is de kern van de Yvonne die bijna 50 jaar geleden werd geboren en dat is het nog steeds. Iedereen maakt dingen mee. Voor sommige mensen is het leven makkelijk, voor anderen is het een strijd. Leven kneedt ons, alsof we warme klei zijn. Daar kun je niet aan ontsnappen. Met elke ervaring die je mee maakt verander je een beetje, of meer. Geloof me, ik ben inmiddels behoorlijk 'gekneed', soms voelde het als een lekkere massage in de warme zon en soms alsof een sumo worstelaar bovenop me stond te stampen, en ik zal gekneed blijven worden tot ik er niet meer ben, want zo is mijn leven. Maar die kern, die is er nog steeds, onveranderd krachtig, die kern heeft alles doorstaan en die is niet kapot te krijgen.
Gewoontes kun je afleren. Ik zou waarschijnlijk met behulp van een therapie bijvoorbeeld de gewoonte kunnen afleren om niet met mijn rug naar de deur te willen zitten. Ik heb er geen last van dus ik wil er niet vanaf. Mijn jeugd heeft een krijger van me gemaakt die overzicht wil. Het is maar hoe je het bekijkt toch? Maar die gewoonte, die had ik waarschijnlijk niet voor bepaalde mishandelingen begonnen. Die gewoonte is er in gekneed, jarenlang, maar die was er eerst niet. Dus hoe zit het met mijn eigen-wijs zijn? Het is geen gewoonte, het is een van mijn sterkste eigenschappen (hoewel misschien niet iedereen het daar mee eens is). Hoe zit het met mijn afkeer van opgelegde normen en waarden, van bemoeizucht, van regels waar ik niet in geloof, van bepaalde maatschappelijke druk die mensen dwingt om hun eigen hoofd, hart en intuïtie te negeren? Ik wil zijn wie ik ben. Ik wil geloven in de dingen die ik het waard vind om in te geloven. Ben ik eigen-wijs louter en alleen door de jeugd die ik heb gehad? Hecht ik zoveel waarde aan zelfbeschikkingsrecht puur en alleen door wat ik heb meegemaakt? Of zat het altijd in me? Ben ik ermee geboren en is het juist gevoed en sterker geworden door die ervaringen van vroeger? Ik zal het nooit weten. Ik weet niet wie ik was voor de mishandelingen begonnen. Ik weet alleen wie ik nu ben.
Ik was 5 jaar en we waren te laat voor school. Mijn moeder bracht me met haar vouwfiets naar school (een kleine kleuterschool in Amsteldorp) en zette me aan de rand van het lege schoolplein af. Ik vroeg haar mee naar binnen te gaan want ik was bang voor het hoofd van de school maar ze weigerde en ik wist dat het geen zin had om het nog 'n keer te vragen dus ik liep richting de schooldeuren maar halverwege draaide ik me om. Ik zie haar nog steeds staan, een klein vrouwtje in een regenjas, naast haar vouwfiets. Ze maande me door te lopen en op dat moment werd het me duidelijk. Ik stond er alleen voor. Die vrouw, dat was mijn moeder maar toch ook helemaal niet. Dat was de eerste keer dat ik me verraadde voelde en het zou niet de laatste keer zijn. En toch was het dat verraad dat mij keer op keer de kant van mijzelf op duwde. Met elk verraad ging ik meer naar mezelf luisteren. Ik begon te leren op mezelf te vertrouwen. Op mijn hoofd, hart en intuïtie. En dat doe ik nog steeds. Dat ik daardoor wel eens beslissingen neem of keuzes maak die niet door anderen worden begrepen is het prijskaartje wat er aan vast zit maar dat is oké. En dat ik daardoor wel eens plat op m'n bek ga is ook niet erg. Sommige keuzes die ik maak snap ik ook niet helemaal. Ja, ik zeg het je eerlijk, hoor. Maar ze brengen me ergens. Ze leiden tot groei. Tot zelfkennis. Ik geloof niet in spijt. Ik geloof in lessen. In evolutie door middel van ervaringen, zowel goede als slechte. In stront eigen-wijs zijn.
Wie was het kind voor het leven overleven werd? Wie was jij voor je je moeder dood in bed vond? Wie was jij voor je vader een verslaafde werd? Wie was jij voor je broer je in elkaar schopte en sloeg? Wie was jij voor je werd mishandeld, misbruikt, verwaarloosd, in de steek gelaten, uitgebuit, gepest, verraden? Wie was jij voor het trauma? En wie ben je nu? Ben je de som van je traumatische jeugd (of de som van al je levenservaringen) of ben je meer? Wat ben je van binnen, wat , wie is jouw kern? Dat was niet aangetast kan worden, je eigen heilige vuur wat brandt diep van binnen in jou, of jouw heilig licht dat schijnt van binnen met de kracht van 1000 zonnen. Allemaal hebben we het in ons. Een stukje 'ik ' dat intact is gebleven. Soms zijn er momenten waarop je denkt dat je gebroken bent. Ik heb die momenten ook gekend. Dingen gebeuren. Zo is het leven. Keuzes worden gemaakt. Zo zijn mensen. Soms win je, soms verlies je. Je kunt het gevoel hebben dat je jezelf kwijt bent, alsof je bent verzopen in je eigen tranen. Je voelt je misschien onzichtbaar, transparant, als een geest te midden van de mensen. Ga op zoek dan, kijk naar binnen, laag na laag, kijk voorbij de klei en vind dat ene stukje. Noem het wat je wilt. Je ziel, je geest, het goddelijke, je essentie, de kern, je wezen. Het maakt niet uit. Het is daar. In jou. Sterk, puur, onbesmet en ongedeerd. Het was er al voor het geweld, de drama's, de pijn, het verlies, het gebroken hart, het geschonden vertrouwen, het verraad. Het is je grootste rijkdom, je mooiste bezit. Wat je ook verloren hebt en wat er ook van je gestolen is. Het is mijn houvast. Mijn kracht. Mijn trots. Ik ben blij met wie ik ben geworden. Yvonne, deze Yvonne. Wie ik ooit was is weg en er is een andere 'ik' voor in de plaats gekomen. Niet beter, niet slechter, alleen anders. Maar mijn kern is gebleven. Onverslaanbaar. Net als die van jou!
.
Dit is het blog van Yvonne (Vief), een doodgewone maar toch eigenlijk ook helemaal niet zo'n gewone, geboren en getogen Amsterdamse, die graag vertelt, op haar eigen-wijze unieke manier, over het-een-en-ander en over van-alles-en-nog-wat. Welkom!
Posts tonen met het label jeugd. Alle posts tonen
Posts tonen met het label jeugd. Alle posts tonen
dinsdag 5 februari 2013
dinsdag 8 januari 2013
In het mandje
Er is iets wat niet veel mensen van mij weten. Ik schaam me er een beetje voor. Drie jaar lang vertrok ik bijna iedere zaterdag in hoge kniekousen, een kort zwart plooirokje en een strak groen shirtje van huis in een poging te scoren, wat me in die drie jaren maar één keer lukte. Ik was ontzettend slecht. Vandaar die schaamte. Een echt geheim is het niet maar ik hang het ook niet aan de grote klok: ik heb op korfbal gezeten. Lang geleden. En op een mooie, zonnige zaterdagmiddag slaagde ik er eindelijk in de bal in die klere korf te gooien. Dat het de eerste (en de laatste) keer was dat mijn vader langs de lijn stond te kijken, had daar niets mee te maken. Ik wist niet dat hij daar was. Het zou uiteindelijk wel de reden zijn waarom ik met korfballen stopte. Ik was een jaar of 13. De zon scheen, het was bloedheet, we speelden op een buitenveld en ik liep te zweten als een paard. Mijn gezicht was knalrood en mijn lange blonde haren kleefden in mijn nek door het zweet.
Voor alle duidelijkheid: ik vond korfbal stom. Helemaal sinds het vertrek van Orestes, mijn prachtige Griekse god. Nou ja, Griekse godje eigenlijk, want hij was van mijn leeftijd. Er was niet één pubermeisje op de korfbalclub die niet gecharmeerd was van Orestes. Prachtige groene ogen met wimpers waar de gemiddelde vrouw 6 lagen mascara voor nodig heeft in een krachtig maar mooi, gebeeldhouwd gezicht, op die leeftijd al. Olijfkleurige huid en dik, golvend lichtbruin haar. Ik was hevig verliefd. En hevig verlegen. Waar de andere korfbalmeisjes met hem flirtten en om zijn aandacht vochten (op zo'n valse jonge pubermeiden manier waar ik niks van begreep), rende ik hard weg in een andere richting zodra hij alleen al naar me keek. En dat bedoel ik dus letterlijk, he? Ik smeerde 'm gewoon, totaal in de war door al die rare gevoelens die ik had. Ik was niet echt vroegrijp, niet met sex in ieder geval, ik vond dat hele gedoe maar ingewikkeld en wilde er niet eens aan denken om met een jongen (of een meisje) te zoenen. Ik ging het gewoon uit de weg. Desnoods door hard weg te rennen. (Gelukkig is dat later helemaal goed gekomen.) Maar vol overgave verliefd zijn, daar was ik toen wél al hartstikke goed in. Orestes zelf liet al die aandacht van de meisjes maar 'n beetje over zich heen komen. Mij leek hij helemaal niet te zien. Tot ik op een dag weer eens weg vluchtte en hij me achterna liep, op z'n dooie gemak. Ik belande in de speeltuin van de korfbalclub, bij de schommels, die stuk voor stuk ingepikt waren door mede puberende korfballers. Behalve één schommel. En net toen ik met mijn achterlijk verliefde hoofd en behoorlijk in paniek op die schommel wilde gaan zitten (je moet toch wat om jezelf een houding te geven), bleek de oorzaak van mijn bonkend hartje mij voor te zijn geweest. 'Dan kom je toch bij me op schoot zitten?', vroeg hij, en hij pakte mijn hand en voor ik het wist zat ik op schoot bij mijn sprookjesprins. Die dat heel prettig vond, getuige de vrolijke bult die ik ineens onder mij bespeurde. Nu was het zijn beurt om te blozen en ik wist niet hoe gauw ik moest maken dat ik weg kwam. Voortaan zeiden we elkaar gedag en op de een of andere manier voelde ik me niet meer zo verlegen. Daar bleef het bij. Vlak daarna verhuisde Orestes met zijn familie naar Frankrijk.
Anyway, die bewuste zaterdagmiddag (zomer 1975) wist ik niet dat mijn vader zou komen kijken. Hij had wel vaker aangekondigd te komen maar hij kwam nooit. Mijn moeder trouwens ook niet. De club waar ik voor speelde deed mee aan een of ander toernooi, ergens in Oost, achter het Sportfondse Bad, vlak bij ons ouderlijk huis. Er was publiek, veel ouders, broertjes, zusjes. Het was me tot dusver nog nooit gelukt om een doelpunt te scoren. Ik was een aanvaller van lik-me-vestje, ik kon er geen hol van. Verdedigen, dat ging nog wel, hoewel ik altijd moeite had met de wat breder uitgevallen meisjes en jongens die ik moest proberen te verhinderen te scoren. Ik was niet agressief genoeg. (Ook dat is later goed gekomen). Bovendien ben ik geen teamspeler, niet wat sporten betreft. Ik raak ervan in de war. Te veel informatie, te veel om rekening mee te moeten houden, te veel prikkels. Chaos in mijn hoofd. Alleen dat realiseerde ik me toen nog niet. Dus ik liep eigenlijk altijd maar een beetje dwaas rond te hollen op het veld, met mijn armen in de lucht, in de hoop een tegenstander te blokkeren, want verder kwam ik toch niet. Tot die ene wedstrijd. We stonden met 1-0 voor en plotseling was het 2-0. En ik bleek degene te zijn die had gescoord. Ik was verbijsterd. Ik kan me ook absoluut niet herinneren hoe ik het voor elkaar heb gekregen om die bal in 't mandje te krijgen. Maar ik weet nog als de dag van vandaag dat ik me omdraaide en mijn vader zag staan. De enige reden waarom ik op korfbal was gegaan was omdat ik vurig hoopte dat mijn ouders dan eindelijk eens trots op me zouden zijn. Ik hunkerde zo naar een complimentje. Waarom korfbal? Geen idee. Ik werd gevraagd, ga je mee korfballen, en ik zei ja. En mijn vader zag mij een doelpunt maken. Mijn enige doelpunt in mijn korfbal carrière. Er kwam geen enkele reactie bij hem los. Hij stond daar maar, hij zei niets, hij zwaaide niet naar me, hij glimlachte niet eens en hij had net zo goed een vreemde kunnen zijn. En ik deed net of het me niets deed en ging verder met dwaas rond rennen. Een paar minuten later was hij verdwenen.
Torn ik thuis kwam zaten mijn ouders in de woonkamer. Ik was nerveus. Zou er iets veranderd zijn? Ik was een kind van 13 en ik begreep niet waarom het er bij ons zo anders aan toe ging dan bij andere kinderen. Er werd mij voortdurend duidelijk gemaakt dat ik als dochter te kort schoot, dat ik een teleurstelling voor mijn ouders was. En vraag me niet waarom want zelfs mijn therapeute zoveel jaar later kon dat niet verklaren maar ik wist dat mijn ouders ongelijk hadden. Ik was geen teleurstelling en ik schoot niet te kort. Het enige wat ik wilde was het ze bewijzen. Maar dan wel op mijn manier en niet op de manier die zij voor ogen hadden en desnoods door middel van fuckin' korfbal. Ik wilde erkenning. Zou ik die nu eindelijk krijgen, dankzij mijn wonderbaarlijke gelukstreffer? Ik liep de kamer in, nog steeds gekleed in het zwart met groen, want ik was direct na afloop van het toernooi naar huis gegaan, zonder me om te kleden. Mijn moeder zat te breien, zoals altijd. 'En, zijn jullie kampioen geworden?', vroeg ze. Nee, dat waren we niet. 'Je vader heeft je gezien', zei ze, zichzelf begeleidend op de breinaalden, en ik zette me schrap. Zou er iets veranderd zijn? Vanachter de krant klonk zijn stem. 'Ze kan het best wel'. Dat was het. Verder niets. Geen woord over mijn doelpunt. 'De tafel moet worden gedekt. We gaan eten'. Zucht. Oké dan... Ik liep de kamer uit. Was ik teleurgesteld? Ja, natuurlijk. Maar ik was vooral pissig om heel eerlijk te zijn. Er was niets veranderd en ik was pissig op mezelf omdat ik verdomme eindelijk eens had gescoord en omdat mijn vader daar bij was geweest. Ik was pissig omdat ik hem per ongeluk iets had gegeven wat hij niet had verdiend en wat niet gewaardeerd werd, en omdat ik bang was dat mijn ouders zouden denken dat ik het voor mijn vader had gedaan. Ik ben meteen met dat klote korfballen gestopt. (Om daarna te gaan leren trommelen bij een fanfare, maar dat is een ander verhaal.)
Met bewijzen dat ik wel een goede dochter ben en hopen op erkenning ben ik (gelukkig) na verloop van jaren ook gestopt. Orestes moet nu ergens beginnen 50 zijn. Als ik hem nu zou ontmoeten, zou hij dan nog steeds mijn hartje sneller doen bonken? Zou hij me nog steeds aan het blozen krijgen? Die volle lippen... En rennen doe ik sowieso niet meer... Zou hij eigenlijk nog op die schommel passen?
Voor alle duidelijkheid: ik vond korfbal stom. Helemaal sinds het vertrek van Orestes, mijn prachtige Griekse god. Nou ja, Griekse godje eigenlijk, want hij was van mijn leeftijd. Er was niet één pubermeisje op de korfbalclub die niet gecharmeerd was van Orestes. Prachtige groene ogen met wimpers waar de gemiddelde vrouw 6 lagen mascara voor nodig heeft in een krachtig maar mooi, gebeeldhouwd gezicht, op die leeftijd al. Olijfkleurige huid en dik, golvend lichtbruin haar. Ik was hevig verliefd. En hevig verlegen. Waar de andere korfbalmeisjes met hem flirtten en om zijn aandacht vochten (op zo'n valse jonge pubermeiden manier waar ik niks van begreep), rende ik hard weg in een andere richting zodra hij alleen al naar me keek. En dat bedoel ik dus letterlijk, he? Ik smeerde 'm gewoon, totaal in de war door al die rare gevoelens die ik had. Ik was niet echt vroegrijp, niet met sex in ieder geval, ik vond dat hele gedoe maar ingewikkeld en wilde er niet eens aan denken om met een jongen (of een meisje) te zoenen. Ik ging het gewoon uit de weg. Desnoods door hard weg te rennen. (Gelukkig is dat later helemaal goed gekomen.) Maar vol overgave verliefd zijn, daar was ik toen wél al hartstikke goed in. Orestes zelf liet al die aandacht van de meisjes maar 'n beetje over zich heen komen. Mij leek hij helemaal niet te zien. Tot ik op een dag weer eens weg vluchtte en hij me achterna liep, op z'n dooie gemak. Ik belande in de speeltuin van de korfbalclub, bij de schommels, die stuk voor stuk ingepikt waren door mede puberende korfballers. Behalve één schommel. En net toen ik met mijn achterlijk verliefde hoofd en behoorlijk in paniek op die schommel wilde gaan zitten (je moet toch wat om jezelf een houding te geven), bleek de oorzaak van mijn bonkend hartje mij voor te zijn geweest. 'Dan kom je toch bij me op schoot zitten?', vroeg hij, en hij pakte mijn hand en voor ik het wist zat ik op schoot bij mijn sprookjesprins. Die dat heel prettig vond, getuige de vrolijke bult die ik ineens onder mij bespeurde. Nu was het zijn beurt om te blozen en ik wist niet hoe gauw ik moest maken dat ik weg kwam. Voortaan zeiden we elkaar gedag en op de een of andere manier voelde ik me niet meer zo verlegen. Daar bleef het bij. Vlak daarna verhuisde Orestes met zijn familie naar Frankrijk.
Anyway, die bewuste zaterdagmiddag (zomer 1975) wist ik niet dat mijn vader zou komen kijken. Hij had wel vaker aangekondigd te komen maar hij kwam nooit. Mijn moeder trouwens ook niet. De club waar ik voor speelde deed mee aan een of ander toernooi, ergens in Oost, achter het Sportfondse Bad, vlak bij ons ouderlijk huis. Er was publiek, veel ouders, broertjes, zusjes. Het was me tot dusver nog nooit gelukt om een doelpunt te scoren. Ik was een aanvaller van lik-me-vestje, ik kon er geen hol van. Verdedigen, dat ging nog wel, hoewel ik altijd moeite had met de wat breder uitgevallen meisjes en jongens die ik moest proberen te verhinderen te scoren. Ik was niet agressief genoeg. (Ook dat is later goed gekomen). Bovendien ben ik geen teamspeler, niet wat sporten betreft. Ik raak ervan in de war. Te veel informatie, te veel om rekening mee te moeten houden, te veel prikkels. Chaos in mijn hoofd. Alleen dat realiseerde ik me toen nog niet. Dus ik liep eigenlijk altijd maar een beetje dwaas rond te hollen op het veld, met mijn armen in de lucht, in de hoop een tegenstander te blokkeren, want verder kwam ik toch niet. Tot die ene wedstrijd. We stonden met 1-0 voor en plotseling was het 2-0. En ik bleek degene te zijn die had gescoord. Ik was verbijsterd. Ik kan me ook absoluut niet herinneren hoe ik het voor elkaar heb gekregen om die bal in 't mandje te krijgen. Maar ik weet nog als de dag van vandaag dat ik me omdraaide en mijn vader zag staan. De enige reden waarom ik op korfbal was gegaan was omdat ik vurig hoopte dat mijn ouders dan eindelijk eens trots op me zouden zijn. Ik hunkerde zo naar een complimentje. Waarom korfbal? Geen idee. Ik werd gevraagd, ga je mee korfballen, en ik zei ja. En mijn vader zag mij een doelpunt maken. Mijn enige doelpunt in mijn korfbal carrière. Er kwam geen enkele reactie bij hem los. Hij stond daar maar, hij zei niets, hij zwaaide niet naar me, hij glimlachte niet eens en hij had net zo goed een vreemde kunnen zijn. En ik deed net of het me niets deed en ging verder met dwaas rond rennen. Een paar minuten later was hij verdwenen.
Torn ik thuis kwam zaten mijn ouders in de woonkamer. Ik was nerveus. Zou er iets veranderd zijn? Ik was een kind van 13 en ik begreep niet waarom het er bij ons zo anders aan toe ging dan bij andere kinderen. Er werd mij voortdurend duidelijk gemaakt dat ik als dochter te kort schoot, dat ik een teleurstelling voor mijn ouders was. En vraag me niet waarom want zelfs mijn therapeute zoveel jaar later kon dat niet verklaren maar ik wist dat mijn ouders ongelijk hadden. Ik was geen teleurstelling en ik schoot niet te kort. Het enige wat ik wilde was het ze bewijzen. Maar dan wel op mijn manier en niet op de manier die zij voor ogen hadden en desnoods door middel van fuckin' korfbal. Ik wilde erkenning. Zou ik die nu eindelijk krijgen, dankzij mijn wonderbaarlijke gelukstreffer? Ik liep de kamer in, nog steeds gekleed in het zwart met groen, want ik was direct na afloop van het toernooi naar huis gegaan, zonder me om te kleden. Mijn moeder zat te breien, zoals altijd. 'En, zijn jullie kampioen geworden?', vroeg ze. Nee, dat waren we niet. 'Je vader heeft je gezien', zei ze, zichzelf begeleidend op de breinaalden, en ik zette me schrap. Zou er iets veranderd zijn? Vanachter de krant klonk zijn stem. 'Ze kan het best wel'. Dat was het. Verder niets. Geen woord over mijn doelpunt. 'De tafel moet worden gedekt. We gaan eten'. Zucht. Oké dan... Ik liep de kamer uit. Was ik teleurgesteld? Ja, natuurlijk. Maar ik was vooral pissig om heel eerlijk te zijn. Er was niets veranderd en ik was pissig op mezelf omdat ik verdomme eindelijk eens had gescoord en omdat mijn vader daar bij was geweest. Ik was pissig omdat ik hem per ongeluk iets had gegeven wat hij niet had verdiend en wat niet gewaardeerd werd, en omdat ik bang was dat mijn ouders zouden denken dat ik het voor mijn vader had gedaan. Ik ben meteen met dat klote korfballen gestopt. (Om daarna te gaan leren trommelen bij een fanfare, maar dat is een ander verhaal.)
Met bewijzen dat ik wel een goede dochter ben en hopen op erkenning ben ik (gelukkig) na verloop van jaren ook gestopt. Orestes moet nu ergens beginnen 50 zijn. Als ik hem nu zou ontmoeten, zou hij dan nog steeds mijn hartje sneller doen bonken? Zou hij me nog steeds aan het blozen krijgen? Die volle lippen... En rennen doe ik sowieso niet meer... Zou hij eigenlijk nog op die schommel passen?
Abonneren op:
Posts (Atom)