Posts tonen met het label Moos. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Moos. Alle posts tonen

zaterdag 20 juli 2013

Boodschap

"Goedemiddag, mevrouw, mogen wij u even storen met een blijde boodschap? Wij hebben goed nieuws voor u", zei de blonde dame met een hemelse glimlach terwijl de donkere vrouw naast haar enthousiast knikte. "Ik heb ook nieuws. Mijn man is vannacht plotseling gestorven. Dus sodemieter alsjeblieft op met je blijde boodschap", en ik knalde de deur dicht. Het enige nieuws wat ik wilde horen was dat er een vreselijke vergissing was gemaakt. "Hij is niet dood. We dachten het alleen maar". Ik weet niet hoe het is wanneer iemand dood gaat na een lang ziekbed of op hele late leeftijd, wanneer de Dood al 'n tijdje op de hoek stond te wachten tot er geoogst kon worden. Ik ken alleen het onverwachte allerlaatste afscheid, zonder waarschuwing, zonder voorbode. En ik werd een beetje gek in mijn hoofd. Niet dat ik echt als een lunatic rond liep, hoor, zo erg was het nou ook weer niet. Maar ik kreeg gedachten waarvan ik wist dat ze hartstikke absurd waren en toch kon ik ze niet stoppen. Dat leverde merkwaardige gesprekken met mezelf op, waarin mijn rationele ik tot in den treuren aan mijn emotionele ik moest uitleggen dat er echt geen vreselijke vergissing was gemaakt. "Je was er zelf bij". En dan volgde een lawine aan verstandige en logische argumenten, waarbij ik mezelf geen genade toonde. "En zelfs al zou er een vergissing zijn gemaakt, zelfs al zou hij nog leven en bij bewustzijn komen, je weet wat de artsen hebben gezegd". Ik was er zelf bij. Zware hersenbeschadiging. Hem laten leven als een derderangs versie van de man die hij was geweest? Geen optie. 'Die stekker moest eruit en dat weet je. Niemand heeft een vergissing gemaakt. Moos is dood". Ik wist toen nog niet van de kanker. Ik wist niet dat hij terminaal ziek was en sowieso zou zijn gestorven, maar dan na 3 maanden lijden in plaats van zo van het ene moment op het andere. Je 43-jarige levenspartner dood in bed vinden, terwijl je denkt dat hij alleen maar een milde longontsteking heeft, is onverteerbaar, niet te bevatten. Het is alsof je wakker wordt en met een schok ontdekt dat je nog maar 1 been hebt. Wtf is er gebeurd???  Je voelt je machteloos en onzeker, want al je vragen blijven onbeantwoord en er is niemand die het kan fiksen. De mensen om je heen blijken ineens ook een lichaamsdeel te missen en kampen met dezelfde machteloosheid en onzekerheid en je deelt je verlies in een sfeer van totale verslagenheid en shock. Het kán niet anders dan een vreselijke vergissing zijn. En zo wachtte een deel van mij vol hoop en tegen beter weten in op het geluid van de deurbel (het gekke was dat ik me dus wel realiseerde dat zijn sleutels thuis lagen), het geluid van zijn voetstappen op de trap, zijn stem, het overdadig ophalen van zijn neus en de vieze rochel die daar standaard op volgde, terwijl een ander deel van mij koel en bijna afstandelijk er alles aan deed om in de werkelijkheid te blijven, hoe griezelig 'werkelijk' ook was. Dat er geen vergissing was gemaakt had tijd nodig om waarheid te worden. Jezelf vertellen dat ontkenning de 1e fase is van het rouwproces, maakt geen moer uit. Het ontkennen gaat vanzelf, zelfs wanneer je beseft dat je in ontkenning bent. Ook al was ik er zelf bij geweest, ik kon het niet geloven.
 
Vanwege de autopsie duurde het een paar dagen voor Moos' lichaam thuis werd gebracht en opgebaard kon worden. We legden hem op een gehuurde koeltafel in wat destijds de computerkamer was, waar hij altijd zat te gamen. Het witte mortuariumkleed heb ik bij hem uitgetrokken. Ik heb hem gewassen, zijn steeds harder en stijver wordende lichaam, met die grote incisies van de autopsie (weet je hoe raar het is om de 1e letter van je voornaam terug te zien in een ritssluiting op het lichaam van je dode man?), zijn magere, strakke doodgezicht, zijn koude handen en voeten. Het was mijn 1e keer dat ik een lijk aanraakte en ik zeg je eerlijk dat ik ook giechelend een beetje heb zitten porren en duwen, uit nieuwsgierigheid, maar ook vanuit een vreemd soort fascinatie. Een dood lichaam is een lege verpakking. Het lichaam wat ik aanraakte, reinigde en zijn favoriete kleding aantrok had 43 jaar gediend als de verpakking van mijn man maar was nu helemaal leeg. Er zat niemand meer in. Dat was een vreemde gewaarwording, vooral omdat Moos zo'n aanwezig persoon was. De stilte van een dode is de ultieme stilte. Een stillere stilte bestaat niet. Hij lag 5 dagen bij ons en hoe meer dagen er verstreken hoe meer 'dood' zijn lichaam er uit begon te zien, tot mijn dochters en ik tot onze schaamte (en schuldgevoel) toe gaven aan elkaar dat we stiekem vonden dat hij een beetje op een mummie begon te lijken. Over een dode hoor je niet zo te praten, wat ik eigenlijk jammer vind want de uiterlijke veranderingen van een lijk die voor je ogen plaatsvinden kunnen je flink raken en het is goed om je gevoelens daarover te kunnen delen met iemand die dat begrijpt. De laatste paar dagen voor de crematie, toen hij een dag of 5 dood was, kregen we tactvol het advies om hem niet meer met blote handen aan te raken en hem niet te kussen, waarop het tactloos in mijn hoofd klonk: "Ach, ja, natuurlijk, hij begint te rotten". Rond die tijd begonnen we bezoek dat nog een laatste keer afscheid kwam nemen, te waarschuwen en voor te bereiden. "Het is niet de Moos die je hebt gekend". Tegen de crematie zag ik op maar ik moet toegeven dat ik ook iets van opluchting voelde toen de dag was aangebroken dat zijn lichaam werd opgehaald. Het was tijd.
 
Thuisopbaring confronteert je elke dag en rechtstreeks met de overledene. Dat is zwaar. Maar ik bleek het nodig te hebben. Ik moest alle hoop loslaten. Grof gezegd: mijn man was dood en daar lag het bewijs. Dood. Hartstikke, absoluut, tastbaar, op een verschrikkelijke manier écht dood. De Zeis had gezwaaid en of ik het nu wel of niet begreep deed er niet toe. De vragen die ik had moesten wachten en de antwoorden die ik hopelijk zou krijgen zouden niets veranderen aan de realiteit die niet langer viel te ontkennen. Er was geen vreselijke vergissing gemaakt. In die 5 dagen werd de werkelijkheid werkelijk. In die doodse stilte van zijn dode lichaam had een boodschap gezeten. Geen blijde boodschap, geen goed nieuws, maar een meedogenloos rauw-op-m'n-dak bericht waar ik niet aan kon ontsnappen, hoe hard ik ook mijn best deed om het te ontkennen, want het bewijs lag in de computerkamer. Ik was er inderdaad zelf bij.
 
(p.s. Inmiddels blijkt uit onderzoek dat thuisopbaring het rouwproces bevordert en daarom steeds meer aangeraden wordt.)
 
 
 
 
 
 


zaterdag 22 juni 2013

De laatste playlist

Een Faceboek-vriendje van me en mede-blogger had gisteren een stukje gepost waarin hij, inclusief Youtube-clips, zijn muzikale wensen wat betreft zijn uitvaart aan de wereld kenbaar maakte. Hij gaat nog lang niet dood, hoor, tenminste, dat is de bedoeling, maar voor het geval dát is het in ieder geval duidelijk welke muziek er op zijn allerlaatste feestje gedraaid moet worden. Ik vind dat heel, heel verstandig van hem. Je moet er toch niet aan denken dat je daar ligt in je kist en ze draaien ineens een nummer wat helemaal niet bij jou past, of waar je eigenlijk een klerehekel aan hebt. Een klerehekel aan hád natuurlijk want je bent dood, sorry. Je kunt wel dénken dat mensen weten wat je lievelingsliedjes zijn en dat doen ze misschien ook wel echt, maar bij een afscheid zo definitief als de dood wil je specifieke lievelingsliedjes en dat lijstje zou wel eens veel minder bekend kunnen zijn bij de mensen om je heen dan je denkt.  Bovendien, jij bent net gestorven en iedereen om je heen heeft verdriet en pijn, iedereen is in de war of in shock. Er moet van alles geregeld worden, het is een komen en gaan van familie, vrienden/vriendinnen, kennissen, collega's, buren, slapen en eten wordt er nauwelijks gedaan, met al die emoties, dus jouw nabestaanden raken ook nog eens doodop (oeps, slechte woordkeuze). Denk je dan echt dat ze onder dergelijke omstandigheden nog helemaal helder kunnen (en willen) nadenken over jouw favoriete uitvaart-muziek? Ze zullen de klus heus wel klaren maar het is een zwaar karwei en het had ze bespaard kunnen blijven als jij zo verstandig was geweest om je muzikale wensen vast te leggen (of door niet te sterven maar dat is onmogelijk; ooit ga je dood).

Ik heb de cd maar ik draai hem nooit. Ik kan het niet aan. Ik kan naar zijn foto's kijken, ook naar foto's van de crematie, ik kan over zijn dood praten en schrijven, maar die cd, dat is te heftig. De liedjes afzonderlijk, daar heb ik geen problemen mee. Het is die hele cd, het geheel van al die liedjes bij elkaar opgeteld.  De meeste mensen komen niet zomaar plotseling te overlijden. Moos deed dat wel. En Moos wilde zich tijdens zijn leven niet met de dood bezig houden. Hij was er bang voor. Zelf hou ik van wandelen op begraafplaatsen maar Moos kreeg acuut een astma aanval zodra hij een kerkhof betrad. In de loop der jaren (vijfentwintig om precies te zijn) was het mij wel gelukt om hem zo ver te krijgen dat hij het een half uurtje volhield maar dan werd hij zó somber dat ik hem dan toch maar snel naar de uitgang loosde, weg van al die graven en tomben. Waarna hij alsnog een astma aanval kreeg. Naar mijn weten heeft hij één keer over het onderwerp 'dood' gesproken en toen ik daarvan hoorde, was ik ontroerd maar ook stomverbaasd. 'Mocht ik eerder dood gaan dan Yvonne, wil jij dan voor haar zorgen?', heeft hij gevraagd aan een dierbare vriend, jaren voor hij overleed. Ik wist van niks. Moos sprak niet over zulke dingen. Hij liep ervoor weg, letterlijk. Toen hij ineens stierf wist ik alleen dat hij gecremeerd wilde worden, dat hij zijn organen wilde doneren en dat een bepaald persoon niet welkom was op zijn crematie. De rest moesten mijn dochters en ik helemaal zelf invullen. 

Stand by me van Ben E. King * A.D.I.D.A.S. van Korn * You're the one van Kate Bush *  Love is stronger than death van The The * Give me back my man van The B 52's * Shout van Tears for Fears * Life's what you make it van Talk Talk. Ik weet de volgorde niet meer maar dit is de muziek die gedraaid werd tijdens Moos' uitvaart, op die mooie Oosterbegraafplaats. Moos hield van muziek. Hij was nou niet bepaald tekstvast en niet altijd even zuiver maar hij had er zo'n lol in om luidkeels mee te zingen met bepaalde nummers. Ik hou van mannen die zingen in huis, geeft me een fijn gevoel, maar ik moet bekennen dat Moos wat dat betreft tamelijk irritant kon zijn, wat soms nog zijn bedoeling was ook, want dat vond hij leuk, een beetje klieren. Hij kon niet zonder muziek. De jaren tachtig waren favoriet, maar hij hield ook van soul en rock en een beetje van dit, een beetje van dat. Dat er veel muziek moest zijn op zijn crematie , dat stond vast. De muziek zelf moesten wij verzinnen. Van te voren plan je hoe lang de dienst gaat duren (hoe langer de dienst, hoe hoger de kosten) en binnen die tijd moet alles gebeuren (anders krijg je een boete, die ik dus ook daadwerkelijk heb gekregen, want de dienst liep uit...). We hebben er heel lang over gepraat met z'n allen en hebben toen een selectie gemaakt, die we op cd zetten en meegaven aan de uitvaartspecialist, of hoe zo iemand ook heten mag, met het lijstje. Wij, wij waren helemaal van de wereld, helemaal overdonderd, totaal de kluts kwijt in die nachtmerrie van de eerste week na zijn dood (lees mijn blog getiteld Begin als je wilt begrijpen waarom). We sliepen nauwelijks, we dwongen onszelf om te eten en oceanen van tranen hebben we gehuild. Rationeel nadenken is dan verrekte moeilijk maar het moest gebeuren, we moesten een aantal liedjes uitkiezen dat binnen de afgesproken tijd paste en de cd moest op tijd (een dag van te voren? ik weet het niet meer) ingeleverd worden  Sommige liedjes vielen af bij voorbaat af, gewoon omdat wij ze niet leuk vonden. Aangezien wij de muziek moesten bedenken, vonden we dat we dat wel hadden verdiend. We besloten er geen treurzang van te maken. En de nummers moesten een betekenis hebben. Er moest een verhaaltje bij horen.

A.D.I.D.A.S (van Korn) heeft niets met het hippe merk te maken maar staat voor All Day I Dream About Sex. Moos blèrde het nummer altijd mee, met de pret van een rebellerende puber: 'All day I dream about sex. All day I dream about fucking'. Hij vond het zo geweldig dat ik hem ooit voorstelde om het te draaien op zijn crematie, waarop hij me aan keek met een blik van 'Ik ben getrouwd met een leipo', want Moos was niet zo zeker van zichzelf als de meeste mensen dachten en kon zich erg druk maken over de mening van anderen. 'Waarom niet? Het is dan toch jouw feestje? Plus jij bent dood, je kunt gewoon schijt hebben want jij hebt nergens meer last van en wat jouw christelijke familie van mij vindt kan me niks schelen, want ze moeten me toch al niet', waar ik puntjes mee scoorde want hij wilde heel graag schijt hebben, maar ik had het D woord gebruikt en hij maakte zich met een smoes uit de voeten. "Beslis jij maar!', en daarmee was de kous af wat hem betrof.  Beslis jij maar... En dat heb ik dus gedaan. Voor Moos. Omdat hij schijt wilde hebben maar het niet durfde. Omdat het één van zijn lievelingsnummers was. Omdat hij inderdaad graag over sex droomde. Keihard schalde de stem van Jonathan Davis die dag door de overvolle aula. Wij zaten helemaal vooraan en we hoorden later dat zijn halve familie zwaar geshockeerd had gereageerd toen men door kreeg waar de tekst over ging, maar aan de andere kant waren er ook mensen die het fantastisch vonden dat wij ervoor hadden gekozen om afscheid van Moos te nemen met muziek die bij hem paste.
 
Spijt heb ik er nooit van gehad. Ik sta nog steeds achter ieder liedje dat die dag gedraaid werd en mijn dochters ook. Maar wat zou het fijn zijn geweest als we van te voren zouden hebben geweten wat Moos zélf op zijn crematie gedraaid had willen hebben. Wat zou het fijn zijn geweest als we ons daar niet mee bezig hadden hoeven houden. A.D.I.D.A.S had niet op zijn lijstje gestaan, hij zou het niet hebben gedurfd maar die hadden we er waarschijnlijk gewoon tussen gepropt, want protesteren, dat kan niet als je dood bent, en het was echt zijn nummer, dus wat dat betreft was die keuze-vrijheid prettig maar toch. Moos had zijn redenen om niet met de dood bezig te willen zijn. Ik neem het hem niet kwalijk. Hij was wie hij was en hij kon ook niet weten dat hij onverwachts zou komen te overlijden op zijn 43ste. Ik heb er van geleerd hoe belangrijk het is voor je nabestaanden om je er wél mee bezig te houden. Denk na over je eigen begrafenis of crematie en laat je omgeving weten wat je graag zou willen en hoe je het graag zou willen. Praat erover of leg het vast op papier en vertel mensen waar je laatste instructies liggen zodat ze zich later, wanneer het zover is, niet druk hoeven te maken over bijvoorbeeld de lijst met muziek voor het grote, laatste afscheid. Maak die playlist. Voor het te laat is. Je kunt nooit weten.

zaterdag 30 maart 2013

Flash

Daar kwamen ze aangelopen, rustig en op hun gemakkie, een zelfverzekerde kudde wildebeesten. En tussen hen in liep mijn vriendje. 'Oh, shit, ze zijn allemaal groter', ging het door me heen en ik begon een beetje zenuwachtig te worden. Zondagochtend, de zon scheen maar het was nog fris en het zou misschien gaan regenen later. Ik had me niet warm genoeg aangekleed maar wist ik veel dat het er zo zou waaien. En ik had geen zin om me te voegen bij de andere toeschouwers die hun toevlucht hadden genomen achter de ramen van de kantine en die pas weer naar buiten zouden komen wanneer het echt leuk werd. Ik was zo verliefd. Ik wilde op de eerste rang getuige zijn van het bloed, zweet en tranen-gevecht dat mijn vriendje stond te wachten en er af en toe een stoere aanmoediging tegenaan gooien, want dat hoort zo. Maar tering, wat waren ze groot. En breed. En wat zagen ze er woest uit. Wat als hij gewond zou raken? Wat als een paar van die monsters over hem heen zouden stampen?

Ik wist geen hol van rugby. Nog steeds niet trouwens. Ja, ik weet natuurlijk wel van een scrum en van een lineout, ik ken een beetje de regels en ik heb wel eens gegooid met een rugbybal maar that's it. Toch vind ik het een leuke sport om naar te kijken. American football is voor watjes. Rugby is voor echte mannen. Echte mannen hebben respect en discipline en die hoeven zichzelf niet te beschermen door een half astronautenpak aan te trekken want ze worden beschermd door de regels van het spel, waar ze zich allemaal aan houden (meestal). Rugby-spelers hebben respect, discipline en eergevoel. Op het veld, he? Want ik weet niet hoe ze in het normale leven zijn. Mijn rugbyspeler heeft maar een jaartje of wat gespeeld en het was vanaf het begin duidelijk dat hij anders was dan zijn teamgenoten. Hij was er niet op zijn plek. Zo reageerde hij bijvoorbeeld heel slecht op bier. Daar kon hij niets aan doen, het kwam door zijn astma medicatie, maar het was wel een probleem. Niet goed tegen bier kunnen is verdomd onhandig als bier beschouwd wordt als een bepalende factor bij het winnen van een wedstrijd. Er waren spelers die zich expres de avond van te voren klem zopen zodat ze de volgende dag met een kater op het veld zouden staan want dan speelden ze beter, zeiden ze. Bij uitwedstrijden stapten sommige spelers niet geheel nuchter meer uit de bus. Hadden ze er onderweg een paar open getrokken. Na elke wedstrijd en na elke training moest het bier rijkelijk stromen want dat was traditie. Mijn vriendje was alleen al vanwege die traditie drie keer in de week een uurtje vrolijk aangeschoten en vervolgens trok hij bleek weg, begon hij te zweten als een otter en als je dan niet uit keek kotste hij zó met hoge snelheid over je schoenen heen. Verdomd onhandig.

De aarde trilde toen de horde wildebeesten begon te rennen, als een ondergronds gebrul dat je meer voelt dan hoort. Van onder je voetzolen gaat het omhoog naar je borst waar het zich mengt met het ritme van je hart waardoor je je voor een seconde weer even een oermens voelt. Ik vond het opwindend. Ik vergat mijn bezorgdheid en zenuwen. Dit was stoer! Kon mij het wat schelen dat ik negen van de tien keer niet begreep waarom er gefloten werd. Daar rende mijn schatje en ook al was hij een kop kleiner een een stuk smaller en ook al had hij net voor de wedstrijd nog een keer naar zijn inhalator gegrepen, hij deed niet onder voor de rest. Integendeel, dankzij hem wist zijn team te scoren. Begrijp me niet verkeerd, hij was geen mager mannetje met slappe kantoorspieren. Zijn kuiten waren zo gespierd dat hij zijn broekspijpen echt omhoog moest peuteren. hij had een paar prachtige stevige kadetten (daar viel ik als een blok voor, die billen), een stoere rug, gespierde armen en een bijpassende nek. De trainingen waren zwaar, met name de krachttrainingen, en dat was te zien aan zijn lichaam (wat hij heel goed wist en hij was zo ijdel als de moeder van Sneeuwwitje - alleen niet zo'n bitch). Maar hij was maar 180 lang en hij oogde nou eenmaal niet als een wildebeest. Daar had hij de bouw niet voor. Wat hij wel had waren kromme benen. Eén en al spieren, korte benen had hij, en nog niet op John Wayne niveau maar recht kon je ze onmogelijk noemen. Dankzij zijn kromme benen kreeg hij de bijnaam de Flash (of de Flits, lag eraan hoe dronken ze waren). Want rennen, dat deed hij zigzaggend. Hij was niet eens in staat om in een rechte lijn te rennen. Dat hadden ze uitgeprobeerd.

Mijn verkering had me verteld over gebroken neuzen, gescheurde oren en wenkbrauwen, gekneusde en gebroken ledematen, en zelfs over een gebroken nek en een man die verdronk in een plasje modder terwijl hij bedolven lag onder minstens 600 kilo kerel. Hij had erbij gezegd dat ik me geen zorgen hoefde te maken. Ja, halloooo, zeg, zo werkt dat niet! Maar hij was moeilijk te stoppen, zag ik met veel genoegen en tot mijn grote opluchting. Korte meters links, korte meters rechts, zig, zag, naar voren rennend, zonder buitenspel komen te staan, zonder getackeld te worden. Door die rare manier van rennen was hij niet te volgen. Zweet droop van zijn gezicht en duidelijk was de geblondeerde bliksemschicht te zien die hij in een voor hem zeldzame vlaag van zelfverering besloten had te laten verven in zijn donkere haar. Hij mocht dan rennen als een dronken piraat met in zijn arm de laatste fles rum maar dat deed hij wel hartstikke goed en ik was trots op hem. Niemand zou op hem stampen. Daar was hij te onvoorspelbaar en te snel voor. Hij rende, hij rende, zig, zag, onvoorspelbaar, snel, daar ging de Flash en bammmmm, daar knalde hij zo met zijn kop tegen de kop van een andere speler aan. En niet zomaar een speler. Mijn vriendje ging knock out door een speler van zijn eigen team, die dacht dat die aanstormende zigzagger naar links wilde rennen maar het werd toch rechts. Het was een formidabele botsing en onbedoeld kreeg mijn moppie een kopstoot, waarna hij zich naar me omdraaide, me heel even aan keek en voor mijn ogen in elkaar zakte. Een dokter was er snel bij, ook een speler van zijn team, die toevallig huisarts was (ja, rugby is niet alleen voor de gewone arbeider) en ik wist niet zo goed wat ik moest doen. Mocht ik naar hem toe gaan of niet? Maar ineens voel ik een hand op mijn schouder. 'Ben jij zijn vriendin? Ga maar naar hem toe, hoor. Je zult wel geschrokken zijn'. Twee schuldigbewuste ogen kijken me aan. 'Het was per ongeluk. Ik zag hem niet aan komen, ik vergiste me. En jezus, wat heeft die jongen een hard hoofd'. Met zijn hand wreef hij over zijn kop. Op het veld krabbelde het slachtoffer alweer omhoog. Hij schudde een paar keer met zijn hoofd, alsof hij een restje duizeligheid moest kwijtraken, stak zijn duim op naar mij, dronk een slok water en sjokte weer terug naar zijn positie. 'Het geeft niet. Het hoort erbij'. Oh, ik kan zo goed bluffen als het moet. 'Je moet weer aan de bak', knikte ik richting de scheidsrechter die stond te wachten. "En dank je wel, he?' Waarbij ik hoopte dat hij niet dacht dat ik het sarcastisch bedoelde.
 
Dat vriendje, dat was natuurlijk Moos en ik mocht nog jaren en jaren genieten van die fraaie bilpartij. Dezelfde jongen die hem die kopstoot gaf nam hem later een keer mee naar jiu jitsu. Moos was verkocht en zo werd rugby ingeruild voor martial arts, waar hij te maken kreeg met een ander soort wildebeesten. Door zijn kromme benen bleef hij moeite hebben met schoppen maar ze zorgden er ook voor dat je zo ongeveer met een tank tegen hem aan moest rijden om hem uit balans te krijgen. Hij zette een blok dat aanvoelde als een betonnen muur en zijn tai-se-baki was perfect. Hij raakte zijn bijnaam kwijt, godenzijdank, want wie wil er nou de Flash genoemd worden, en hoewel hij altijd onder de blauwe plekken en schaafwonden thuis kwam na trainen is hij nooit op de mat ko gegaan. Bier werd vervangen door sportdrankjes en zigzaggend een overwinning binnen slepen was voorbij. Hij had zijn plek gevonden.