Posts tonen met het label liefde. Alle posts tonen
Posts tonen met het label liefde. Alle posts tonen

zondag 10 augustus 2014

Wat ik je zeggen wil.

Voor wie het niet heeft maar wel graag zou willen.

Hij was het. Je weet wel, de enige, de ware, de prins en zo. Perfect was Moos zeker niet maar hij was perfect voor mij. Hij was geen gemakkelijke man om mee te leven maar hij dééd iets met me, van binnen, daar waar het telt, onherroepelijk en onverbiddelijk, snap je? Op mijn 17e leerde ik hem kennen, hij was net 18, we kregen kinderen, we trouwden en bleven bij elkaar, 25 jaar, tot aan zijn dood in 2006. Zo werd ik op mijn 42ste weduwe en dacht ik dat ik verder zou moeten leven zonder enige, zonder ware, zonder prins. Niet dat ik mezelf in mijn eentje zag wegkwijnen in een huisje vol katten en stofnesten, met een eenzaam hart en een al net zo eenzaam lichaam, want ik zou heus nog wel een man tegenkomen met wie ik het leuk zou gaan hebben maar meer dan 'leuk'? Nee, ik dacht dat dát er niet meer in zat voor mij. En ik had er eigenlijk wel vrede mee. Dacht ik. Met 'leuk' zou ik genoegen nemen, zonder te klagen, zonder zielig te zijn, zonder een knagend 'Is dit alles wat er is?'-gevoel want kom op, ik moest wel realistisch blijven, toch? Hoe vaak maak je een Echt Grote Liefde mee? Wist ik veel op dat moment. 

Het leven is raar, hè? Er gebeurt van alles en nog wat en je moet je maar staande zien te houden, hoewel het soms het beste is om niet te blijven staan maar je mee te laten drijven. Dat je over elk aspect van je leven controle kunt hebben is flauwekul. Een illusie die je beter kunt loslaten want anders raak je geheid gefrustreerd en teleurgesteld. Plus je mist al die verrassingen, plotselinge wendingen en onverwachte ontwikkelingen wanneer je de boel perse onder controle wilt houden en ik vind dat je jezelf daarmee te kort doet. Structuur in het leven hebben we allemaal nodig maar het is de chaos die het interessant maakt, die het spannend houdt. 'Toeval' geeft je de kans om te groeien, om jezelf en de wereld beter te leren kennen en dan maakt het in principe niet uit of het om 'pech' of om 'mazzel' gaat want het effect kan precies hetzelfde zijn. Daar heb je dan wel weer controle over trouwens.

Ik was 44 toen ik Gilli tegenkwam, hij was 34. Aan een relatie dacht ik helemaal niet. Sex wilde ik want al 18 maanden deed weduwe Teekamp het met een vriendje op batterijen en ik verlangde naar het gevoel, de geur en het gewicht van een echt mannenlijf met alles erop en eraan. Ooh, en sex kreeg ik, verrukkelijke sex, maar waar ik dus niet op had gerekend was dat ik verliefd werd en ja, dat had zeker te maken met dat verrukkelijke, maar het was meer. Hij raakte me. Over en uit, he came, he saw, he conquered en het enige wat ik kon doen was me overgeven. In zijn imperfectie perfect voor mij. Holy shit. Binnen no time zei ik in opperste verbazing tegen mezelf: "Ooooh, jij bent zwáár de lul, dame". En zo schrok ik een paar maanden na onze eerste encounter midden in de nacht wakker en realiseerde ik me: Gilli is het. De enige, de ware, de prins en zo, en ik wil niet meer alleen maar 'leuk', ik wil álles en meer. Met hem.

We waren vier jaar bij elkaar en toen ging het mis. "I fucked up", zou hij later in de woorden van Carlito ('Carlito's Way') Brigante zeggen en ik zette hem uit huis. Kapot was ik ervan. En wat me ongelooflijk pissig maakte omdat ik verdomme met een zwaar gebroken hart rondliep, was dat ik van hem bleef houden. Ik had een scharrel tussendoor, ik deed wat vergelijkend warenonderzoek en single zijn had zeker voordelen maar het maakte niks uit. "Ik wil hem niet terug!" blufte ik me twee jaar lang een weg, wat eigenlijk grote onzin was maar ik deed erg mijn best om het ook zelf te geloven. Weet je hoe vaak ik me in die periode heb afgevraagd wat er in vredesnaam mis was met mij dat ik hem niet kon loslaten? Wat was ik voor zwak vrouwtje? Woedend was ik, en ik nam me plechtig voor om maar weer gewoon genoegen te gaan nemen met 'leuk', want tering, dit was niet gezond. Voor mij hoefde het niet meer, de liefde.

Maar weet je wat het is? De liefde de rug toekeren in een poging controle te krijgen over je hart en je leven en jezelf te beschermen, dat is niet goed. En 'leuk', dat is geen liefde, althans niet in mijn boekje, dat is middelmatig en incompleet. Dat leerde ik gaandeweg in de twee jaar dat we uit elkaar waren en ik hem bleef missen. Ik keek in de spiegel, ik daagde mezelf uit: "Wil je perse met hem zijn of durf je niet alleen te leven?", een eerlijke vraag waar ik mezelf eerlijk antwoord op gaf. Ik ontdekte dat er helemaal niks mis is met mij. Ik kan niet maar een beetje houden van, ik ben van de alles-of-niets afdeling, ik reis in de 100 %-all-the-way trein, ik gelóóf in ware liefde. Het is wie ik ben. Negen maanden zijn we nu weer samen. Want het antwoord op die ene vraag was en is ja, ik wil perse met hem zijn. Hij is het. 

Zo blij en dankbaar ben ik dat ik dit mag meemaken, twee keer zo'n Echt Grote Liefde. Eerst Moos, nu Gilli. Ik ben zo'n verrekte mazzelkont. Het leven kwam met een plotselinge omwenteling, met een enorme verrassing, ik had het niet verwacht, ik zag het niet aankomen. Keer de liefde niet de rug toe. Doe jezelf niet tekort en blijf erin geloven. Sta open voor die chaos, de wanorde, de risico's én de beloning. Don't settle for less. Die verrekte mazzel kun jij ook krijgen. Dat is wat ik je zeggen wil. Ik heb er alleen wat meer woorden voor gebruikt.


















donderdag 25 april 2013

Babette en mijn bajesklant

'Dat kan ik me voorstellen', zei ze. Zij, Babette, een vriendin die ik al jaren kende maar die ik door omstandigheden niet vaak sprak, had gevraagd naar 'die kerel van mij', want die had ze nog nooit ontmoet. Of we nog wel bij elkaar waren want ik woonde nu toch alleen? 'Ja, hoor, we zijn nog steeds bij elkaar'. En toen had ik natuurlijk met een of ander lulverhaal kunnen komen. Ik had haar wijs kunnen maken dat mijn vent op zee zat, ver weg richting Verweggistan, zwetend en zwoegend in de buik van een schip, zijn heimwee verbloemend met Fishermen's Friends. Of misschien zat hij in het leger, en was hij opgeroepen om te strijden voor vrede en democratie ergens in een verscheurd land aan de andere kant van de wereld, waar hij elke avond het geweer schoonmaakte dat hij naar mij had vernoemd. Of ik had kunnen zeggen dat hij tijdelijk in Paramaribo woonde om daar zijn terminaal zieke lievelingsoom te verzorgen, die verder niemand meer had behalve een gevaarlijke voodoo buurvrouw en haar gekke zoon en daarvan wist iedereen dat ze uit waren op de duku van oom Wilfried. Maar weet je wat het is met mij? Ik heb zo'n bloedhekel aan schijnheiligheid en toneelspelen. Plus ik ken weinig schaamte. (En, ik geef het eerlijk toe, ik vind het zo nu en dan erg lekker en bevredigend om mensen een tikkeltje te verrassen. Maar dat was nu niet aan de orde.) Dus gaf ik haar eerlijk antwoord. 'Die kerel van mij  zit vast. Hij zit in de gevangenis, alweer vijf maanden nu'. Haar mond viel open. 'Oooh, wat erg voor je', en ja, hoor, daar kwam het, 'Maar je bent dus nog steeds bij hem?', enigszins geshockeerd over zoveel in haar ogen blijkbaar misplaatste trouw. 'Ja. Natuurlijk. Ik hou van die man'. Ze deed haar best om haar afkeur onder bedwang te houden (dat moet gezegd worden) en keek me aan. 'Maar hij zit daar niet zomaar. En jij wacht op hem, een crimineel? Waar ben je nou mee bezig, Yvonne?', op het kwasi geduldige toontje van een hulpverlener tegen een eigen-wijze client. Ik vertelde haar over liefde en trouw en over de man achter de crimineel. 'Hij mag dan een crimineel zijn, voor mij is hij op de eerste plaats mijn man. Ik volg mijn hart. En ik laat mijn man niet in de steek'. Babette leunde naar achteren in haar stoel en sloeg haar armen over elkaar. 'Dat kan ik me voorstellen', zei ze en ik wist dat ze loog.
 
Recente cijfers kon ik niet vinden maar in 2011 waren er 12.735 gedetineerden in Nederland waarvan 11.965 mannen en 775 vrouwen. Hoeveel gedetineerden er een vaste relatie met iemand buiten de muren hebben, weet ik niet, en ik weet ook niet hoe groot de overlevingskans is van een relatie tussen twee mensen waarvan er één binnen de muren zit. Ik schat dat percentage niet hoog. Het ís ook moeilijk om in zo'n situatie je relatie goed te houden. Het is zwaar, voor allebei, je moet stevig in je schoenen staan en je door heel wat emoties heen worstelen. Je moet je best doen om niet van elkaar te vervreemden wanneer je elkaar maar één uurtje per week kunt zien. Het geeft spanningen en stress en ruzies met woorden waar je later spijt van krijgt. Degene binnen moet de persoon buiten durven te vertrouwen en degene buiten mag het vertrouwen van de persoon binnen niet beschamen. Je zult de vrouwen de kost moeten geven die hun gedetineerde man niet trouw zijn. Ik heb de verhalen gehoord en ik heb geen goed woord over voor die wijven want je maakt je man helemaal gek en hij kan niks doen. Waar ik ook niet tegen kan zijn die dames die schaamteloos delen in de buit die manlief mee naar huis brengt en die dan later, als hun kerel in de bak zit, gaan lopen klagen en huilen en schelden, alsof zij het onschuldige slachtoffer zijn. Voor mij was en is het simpel. Of je staat achter je man of je staat niet achter hem. Je hoeft het niet eens te zijn met zijn baan als inbreker of drugsdealer (of bankdirecteur) maar wanneer je ervoor kiest om 100 % achter je man te staan, en een carrière switch zit er niet in, hoe graag je dat ook wilt, dan accepteer je zijn criminele activiteiten én eventuele gevolgen, want aan een dergelijke relatie kleven natuurlijk risico's. Kun je dat niet, dan moet je die man laten gaan. Voor jezelf én voor hem, want ook criminelen hebben een hart dat gebroken kan worden.

Ik miste hem zo verschrikkelijk. In vier penitentiaire inrichtingen heb ik hem bezocht. De Koepel in Haarlem, de Bijlmer bajes, de p.i. in Lelystad en die in Grave, bij Nijmegen. Ik heb me nooit geschaamd voor mijn relatie met hem, ook niet toen hij vast zat. Meestal kreeg ik van vrouwen negatieve reacties en van mannen positieve reacties wanneer ze hoorden dat ik het liefje van een gedetineerde was. Vrouwen veroordeelden me vanwege het feit dat ik bij hem bleef, mannen spraken hun welgemeende waardering uit. Ik kan me nog herinneren, in een sneakershop op de Nieuwedijk, waar ik voor mijn schatje nieuwe patas kwam kopen, en ik de VIP treatment kreeg van de manager zodra hij me hoorde vragen of ik wat langer de tijd kon krijgen om die sneakers eventueel te ruilen, vanwege de invoer/uitvoer procedure in de gevangenis. 'Je bent een kanjer', zei hij tegen me en duwde de verkoper die me hielp opzij. 'Ga jij iemand anders helpen. Deze dame verdient alle respect en hulp die we haar kunnen geven'. Of die keer toen ik mijn treinkaartje niet kon vinden, op weg van Lelystad terug naar Amsterdam, en de controleur tussen de spullen die ik uit mijn tas had gevist een formulier met het adres van de p.i. Lelystad zag liggen. 'Je komt net van bezoekuur?', en ik vertelde dat ik bij mijn man was geweest. 'Laat dat kaartje dan maar zitten. Jij hebt nu wel wat anders aan je hoofd. Maak je niet druk, je bent een goede vrouw'.
 
Ik werd er altijd een beetje verlegen van, want ikzelf vond het niet zo speciaal en bijzonder wat ik deed. Je houdt van je kerel en je doet je ding. Zo ingewikkeld vond ik dat niet. Maar ik waardeerde het wel. Waar mijn seksegenoten over het algemeen naar me keken alsof ik óf zielig óf dom was kreeg ik van leden van het andere geslacht respect en een schouderklopje. En ik ben ook maar een mens. Ik kan wel een grote mond hebben en de hele tijd stoer doen maar natuurlijk konden die negatieve responses me dwars zitten. Het is niet leuk om het gevoel te hebben dat je je moet verontschuldigen voor het volgen van je hart. Van een crimineel mag je niet houden, laat staan van een crimineel in detentie en wanneer je dat toch doet en er voor kiest om trouw op hem te wachten is er blijkbaar iets mis met je. Er is me zelfs wel eens gevraagd of ik bij hem bleef omdat ik eigenlijk bang voor hem was of omdat ik dacht dat ik niets beters kon krijgen. Zulke vragen zeiden meer over de vragenstellers dan over mij en weerhielden me er niet van om te blijven luisteren naar mijn hart en daar openlijk voor uit te komen maar ik moest af en toe echt mijn best doen om me niet een alien te gaan voelen.
 
Met die vriendin is het nooit meer goed gekomen. Niet alleen veroordeelde ze mij vanwege mijn beslissing om bij mijn 'bajesklant' te blijven maar ook had ze problemen met mijn houden van een srananman. Onze vriendschap stierf bij het zien van de vieze blik in haar ogen toen ze hoorde waar hij vandaan kwam. 'En hij is ook nog een Surinamer! Sinds wanneer val jij op negers?', en nog zie ik haar hoofdschuddend naar haar eigen (joodse half Indo!) kerel kijken. Weet je wat het is? Ik ben oud en wijs genoeg om mijn eigen beslissingen te nemen zonder dat ik de goedkeuring van anderen nodig heb en dat ik daarbij de neiging heb om dingen te doen en keuzes te maken die niet altijd door iedereen worden begrepen, dat weet ik. Babette hoefde het ook echt niet met mij eens te zijn. Ieder mens is uniek. Maar veroordeel mij niet want dat recht heb je niet. Kijk niet op mij neer, betuttelend, neerbuigend of beledigd vanwege mijn manier van leven, toen of nu of in de toekomst, terwijl je nooit in mijn schoenen hebt gestaan. Ik volg mijn hart en mijn eigen richtlijnen. Ook toen het betekende dat ik gefouilleerd moest worden om zestig minuten écht alleen te kunnen zijn met mijn liefste, een crimineel achter slot en grendel. Ik heb Babette nooit meer gesproken. En dat is maar goed ook.
 
 



woensdag 10 april 2013

Over liefde

(geschreven met mijn heterosexuele bril op mijn vrouwelijke neus maar voel je vrij om te husselen met de hems en de haars en de hijen en de zijen - liefde discrimineert niet)
 
Ooit dacht zij: 'Voor altijd'. Maar altijd is niet altijd altijd. Altijd is soms een tijdje. Altijd gaat soms voorbij. Er kwam een dag waarop zij zeker dacht te weten dat zij nooit niet van hem zou kunnen houden. Maar voor altijd werd nooit en nooit veranderde in ooit. Ze hield niet meer van hem. Tussen altijd en nooit in had zich twijfel genesteld, een niemandsland voor ja en nee, voor wel en niet. En zo kwam hun toekomst te behoren tot het verleden. Er zou geen later meer komen, daar was het te laat voor. Er was alleen nog maar toen. Toen ze dacht dat het voor altijd was.

Men zegt dat ze verrees uit het schuim van de zee en waar zij liep verschenen bloemen. Haar domein is het hart van goden en sterfelijken gelijk. Ze ontziet niemand. Oh, Aphrodite, hoe kan het dat je kracht schenkt en tegelijk zo kwetsbaar maakt? Hoe kan ik vrijuit vliegen met vleugels van fluweel?

Een gouden ring, een robijnen hart, een bed vol rozenblaadjes en een kus. Twee paar ogen gevangen in elkaars spiegelbeeld. Vingers woordenloos verstrengeld en dromen die uitkomen. Thuishaven, anker en de rust van zeker weten.
 
'Laat me niet in de steek, laat me niet alleen', klinkt zijn stem en een echo roept: 'Laat me alleen want dan kan je me ook niet in de steek laten', als in een duet waarin stem en echo langzaam één en dezelfde worden tot alleen solo overblijft. Wat hij niet heeft kan hij ook niet verliezen. Angst om verlaten te worden. Angst om te binden. Wegrennen van hetgeen hij het liefste wil uit angst om het kwijt te raken. Kom niet te dichtbij. Dichtbij zou zomaar weer ver weg kunnen worden dus blijf alsjeblieft op een afstand. Blijft zij toch niet uit de buurt, dan duwt hij haar weg. Is zij niet omver te duwen, dan mept hij haar neer. Hoe meer zij blijft komen, hoe zwaarder het afweergeschut dat hij inzet. Hij werpt barricades op en saboteert de boel. Maar dreigt zij zich om te keren, dan houdt hij haar tegen. Ligt zij door hem weggeblazen op de grond, dan helpt hij haar weer omhoog. Ze mag niet falen en ze mag niet slagen. Hij breekt haar hart om het daarna te lijmen, en vervolgens breekt hij het weer. Hij durft niet vast te grijpen en hij durft niet los te laten. Hij durft niet samen te zijn uit angst om alleen te worden gelaten uit angst om samen te zijn uit angst om alleen te worden gelaten.

Zachtjes in haar oor op een zondagochtend: 'Goedemorgen schoonheid'. Alsof een magische spreuk zijn werk begint te doen voelt ze zich direct mooier dan ooit te voren. Spinnend als een poes draait ze zich op haar andere zij en geeft ze zich over aan zijn verbale liefkozingen. Hier zou zij aan kunnen wennen. Twee warme, volle lippen kussen haar mond wakker tot een glimlach en met haar ogen dicht laat ze zich loom meevoeren door dat typische parfum van donker mannenlichaam. Dit zou ze zomaar elke ochtend kunnen gaan willen hebben. Sweet like chocolate. De geur van zijn huid. De smaak van zijn kus. En zoete woordjes.

'Tot de dood ons scheidt' is slechts voor eeuwig tot de dood ons scheidt.

Zijn pogingen om het weer goed te maken verliezen het van zijn pogingen om het te verpesten. Waar het weer goed maken steeds slechter gaat, gaat het verpesten steeds beter. Haar pogingen om in hem te blijven geloven verliezen het van haar pogingen om hem los te laten. Waar blijven geloven in steeds moeilijker wordt, wordt loslaten steeds makkelijker. Als je een rozenstruik te weinig water geeft gaat hij uiteindelijk dood, helemaal als je erop gaat stampen en er een paar keer tegenaan pist. Ze is moe. Tijd wilde ze hem geven maar het duurt te lang en maanden zijn inmiddels jaren geworden. Excuses hebben hun betekenis verloren. Zijn 'Ik hou van jou' klinkt niet langer als een belofte bij haar te blijven tot de dood hen scheidt, maar als een herinnering aan hoe het was, ooit, jaren terug, toen het weer goed maken genieten was en in hem geloven vanzelf ging. Onvoorwaardelijk werd onder voorwaarde en is langzaam aan het veranderen in 'Ik geef het op'. Aphrodite is meedogenloos wanneer je haar respectloos behandelt.
 
Liefde is... Liefde is voor iedereen hetzelfde en voor ieder mens iets anders. Liefde is zijn stervende geest toe fluisteren dat hij mag los laten. Het is het wassen van zijn dode lichaam en dikke, warme sokken aan zijn koude, stijve voeten doen. Liefde is haar zeggen jou te verraden omdat jij haar beschermen wilt. Het is het smokkelen van liefdesbrieven vanuit een wereld van tralies, beton en prikkeldraad naar haar bed in vrijheid, waar zij huilt en lacht tegelijk wanneer ze jouw 'mi lobi joe' leest. Het is de doodschop die je wilt geven aan een ieder die haar kwetst en jouw hand op zijn rug die hem vertelt  dat alles goed zal komen. Liefde kan momenten geven van puur en zalig zeker weten maar ook van opperste verwarring in het hoofd. Het kan voelen als een ontspannen wandeling op een mooie, zwoele zomeravond maar ook als een chaotisch tochtje op een woeste wilde rivier. Liefde is niet statisch, liefde leeft, groeit en verandert. Het kan Isis' zoektocht naar haar gestorven geliefde Osiris zijn, of de duizend schepen die Menelaos te water laat om zijn Helena terug te krijgen, een Loflied, een Taj Mahal, het offer van Prince Edward of de laatste, definitieve omhelzing van Bonnie en Clyde. Liefde is... Alles.

.
 
 

 




























dinsdag 26 maart 2013

Hou-vast

Zo heel af en toe ben ik ook maar gewoon een klein, angstig meissie geweest, wat het allemaal niet meer wist. Maart 2006. Het nog helemaal volle doosje met zware slaappillen knipoogde naar me. 'Neem mij en alles stopt'. Vanaf de rand van het bed staarde ik in het gezicht van wat voor de mensen om mij heen het begin van maar voor mij een einde aan een nachtmerrie zou betekenen. Ik was net mijn man en een leven wat ik 25 jaar had geleefd kwijtgeraakt en ik was bang. Bang voor de pijn en het verdriet die ik voelde. Bang dat ik niet sterk genoeg was. Bang voor de toekomst, voor het onbekende. Bang voor de leegte, het gemis, eenzaamheid. En daar voor me, op een meter afstand, zo binnen handbereik, zo makkelijk en eenvoudig, loerde een oplossing. Ik keek, ik keek, de minuten verstreken, ik keek, ik keek en ik schrok.

In 2011 maakten in Nederland minimaal 1647 mensen een eind aan hun leven (euthanasie niet meegerekend). Op de website van het CBS kun je de statistieken lezen. Onpersoonlijke, koude en harde cijfers zijn het, en dan gaat het alleen nog maar om gevallen van zelfdoding die zijn gerapporteerd, dus het werkelijke aantal ligt hoger.

Sommige mensen noemen het een laffe actie, zelfdoding, anderen zien het als een moedige daad. Ik weet het niet. Ik heb alleen in mijn eigen schoenen gelopen (jij ook trouwens, wij allemaal) en ondanks een hoog inlevingsvermogen en al mijn levenservaring kan ik mij niet voorstellen hoe iemand zich moet voelen die daadwerkelijk een einde maakt aan haar of zijn leven en dus kan ik er ook niet over oordelen. Ik weet niet of het laf of juist moedig is. Ik ben nooit verder gekomen dan de gedachte aan de daad en het was een gedachte waar ik me helemaal de kolere van schrok. Wilde ik echt dood? Nee, natuurlijk niet. Ik heb nooit dood gewild. Ik ben geboren met een overlevingsdrang waar je een oorlog mee kunt winnen. Ik wilde niet dood. Wat ik zocht was een manier om te ontsnappen aan de realiteit, zonder te vluchten in drugs en drank, want dan zou ik alleen maar de ene nachtmerrie inruilen voor de andere en dat was niet de bedoeling. Ik wilde niet meer voelen wat ik voelde. Ik wilde niet meer denken wat ik dacht. Die eerste maand na de dood van Moos hing er een dikke, zware, donkere schaduw over alles. Ik wilde niet gaan slapen omdat ik bang was voor de dag van morgen en ik wilde niet wakker worden uit angst voor de dag van vandaag. Erover praten deed ik niet. Schrijven deed ik wel, in een dagboek, bladzijden vol angstige gedachten van iemand die plotseling en in één klap zoveel had verloren dat ze haar best moest doen om niet mee te worden gezogen door die tornado van emotionele chaos die daar dreigend om haar heen wervelde. Houvast had ik nodig. Iets om me aan vast te ketenen, iets waardoor ik niet meegesleurd zou worden. Ik mocht niet loslaten.

Hoe wanhopig voelt iemand zich die zichzelf ophangt? Hoe groot is de eenzaamheid van iemand die voor een trein springt? Hoe uitzichtloos lijkt het leven in de ogen van iemand die kiest voor een dodelijke overdosis? Wat gaat er om in het hoofd van iemand die geen andere optie meer ziet dan zichzelf van een flat te laten vallen? Hoe is het om het gevoel te hebben dat er geen enkele houvast meer is? En hoe is het als je denkt dat er geen enkele reden meer is om niet los te laten?  Dan ben je eigenlijk al jezelf kwijt geraakt.

Mijn houvast bestond uit de wetenschap dat ik een aantal mensen ongelooflijk veel pijn en verdriet zou doen als ik die pillen zou opvreten. Hou-vast. Ik liet niet los uit liefde voor de mensen die van mij houden. Mijn dochters. Er zijn zoveel gruwelen die ik hen zou willen besparen waar ik geen controle over heb. Zo was het niet mijn keuze dat hun vader overleed. En daar zat ik op een koude ochtend, aan het begin van weer een klote 24 uur, terwijl een doosje slaappillen met me flirtte en ik realiseerde me dat hier zich een gruwel aandiende die ik hen niet alleen wilde besparen maar waar ik ook wel degelijk controle over had. Ooit zullen ze ook hun moeder verliezen en dat is al erg genoeg. Maar niet toen, niet op dat moment en zeker niet op die manier. Ik moest denken aan de tranen die ik had zien stromen over de wangen van al die mensen op de crematie van Moos. De meisjes, familie, vrienden, vriendinnen. Iedereen was in shock door het onverwachte van zijn dood. Zulke tranen wilde ik niet veroorzaken. Opnieuw zo'n shock wilde ik niet op mijn geweten hebben. Ik moest door en ik mocht niet opgeven. Ik mocht zeker weten niet los laten. Schrik om mijn suïcidale gedachte maakte plaats voor kracht. Ik begon me te herinneren wie en wat ik was.

Door de houvast kwam ook het verlangen terug. Het verlangen om te weten wat er om de hoek op me staat te wachten. Op ons allemaal staat iets te wachten, om de hoek, uit het zicht. Een mooie, gloednieuwe ervaring. Soms klein en luchtig als een veertje van een vogeltje maar daar gaat het niet om. Ik ben daar makkelijk in. Een kinderhand is snel gevuld dus zal ik wel nooit volwassen zijn geworden want ik word al blij van een chocolade toetje wat ik nog nooit heb gegeten, een kus zoals ik die nog nooit heb gehad, een kop koffie in een café waar ik nog nooit ben geweest en van een verrassende wending in een film. Door mezelf te doden zou ik nieuwe kansen doden. Nieuwe onbekende ervaringen zouden tevergeefs op mij wachten en nooit de status van prettige herinnering  krijgen. De toekomst knikte geruststellend naar me. 'Het komt goed. Het duurt alleen even'.  En ik wist dat ooit de zon weer zou gaan schijnen. Het verdriet zou slijten, die gapende wond zou helen. Het leven gaat verder en zit bomvol mooie dingen, maar dan moet je het wel de kans willen en durven geven. Ik wilde helemaal niet dood. Ik wilde leven!
 
Zeven jaar verder zijn we nu. In die zeven jaar heb ik dingen meegemaakt die ik in de 43 jaar daarvoor nooit had ervaren. Ik had niets willen missen. Ik heb een nieuwe liefde gekend. Ik ben grootmoeder geworden. Verloren familie heeft mij met open armen verwelkomt. Oude slapende vriendschappen zijn opnieuw tot leven gekomen en nieuwe vriendschappen zijn ontstaan. Mijn wereld is groter geworden, boeiender, spannender, rijker en elke dag blijkt een verrassing voor me in petto te hebben. Als een spons zuig ik alles in me op. Wanneer ik dood ga, en dat gaat nog lang niet gebeuren, wil ik me niet afvragen wat ik allemaal heb gemist. Ik laat nog lang niet los. Ik blijf vast houden. Aan het leven en aan de liefde, aan vandaag en morgen. Hou-vast!
 
 









donderdag 14 maart 2013

Brief aan mijn aanstaande

Lieve toekomstige man van mijn hart,

Ik schrijf je deze brief omdat er wat dingen zijn die je nog niet weet van mij en die ik perse van te voren al met je wil delen. Onbekenden zijn we voor elkaar omdat we elkaar nog niet hebben ontmoet maar eens komt de dag waarop jij in mijn leven stapt en ik in het jouwe en alles zal veranderen. Hoe, waar en wanneer we elkaar tegen zullen komen weet ik niet. Ik ben geen helderziende. Ik heb geen idee onder welke omstandigheden en in welke situatie we zullen ophouden vreemden voor elkaar te zijn. Tuurlijk fantaseer ik wel eens over onze allereerste ontmoeting en probeer ik me een voorstelling te maken van de manier waarop je me in eerste instantie vlinders in mijn buik gaat geven en vervolgens mijn hart zal veroveren. En natuurlijk zal het allemaal anders gaan dan in mijn fantasieën en ga je me verrassen. Daar twijfel ik niet aan.
Wat ik je wil zeggen is dat ik enigszins in mijn broek zal schijten  wanneer dat moment is aangebroken. Want ik ben niet zo'n heldin op het gebied van romantiek. Mijn rugzak heeft een flink formaat, ik waarschuw je alvast, en je moet dus wel stevig in je schoenen staan en niet het type man zijn dat weg rent zodra hij erachter komt dat bepaalde bagage die ik met me mee sleep zwaarder is dan hij had verwacht. Aan een slapjanus heb ik niets. Ik laat me ook niet afschrikken door de inhoud van jouw rugzak.
Tenzij je er een vrouw in hebt verstopt. Dan bedoel ik niet een overleden grote liefde of een ex waar je met warmte aan terug denkt. Je bent geen jonkie meer dus je hebt een verleden, ook wat relaties betreft, en dat accepteer ik, daar ga ik niet moeilijk over doen. Ik heb het over een dame die als een duveltje uit een doosje tevoorschijn springt en waar je me niets over hebt verteld omdat je niet wilde dat ik wist van jouw stiekeme buiten-de-pot pisserij. Zo'n dame dus. Je concubine, maîtresse, buitenvrouw, minnares. Of misschien zelfs je echtgenote of je vaste vriendin. Surprise! Meneer heeft al een mevrouw! Ik ken die film en het is een kutfilm. Wat een drama, wat een gelul en bullshit, met al die achterlijke plotwendingen, en wat een klote einde, zeg. Ik heb die hele film afgekeken, tot en met de aftiteling, en ik hoef 'm echt niet nog eens te zien. Zwaar teleurgesteld was ik na afloop, en mijn rugzak een paar kilootjes zwaarder. Andersom, mijn vooralsnog onbekende lieveling, ben ik wel eens (of eigenlijk meerdere keren, maar dat vertel ik je later wel) in de gelegenheid geweest om het gras te laten maaien door een ander dan mijn vaste tuinman, maar ik heb het niet in me om vreemd te gaan. Google het woord 'trouw' en bovenaan de zoekresultaten zul je mijn naam zien staan. Wanneer ik voor jou ga, ga ik helemaal, 100%, in voor -en tegenspoed, ik volg je desnoods tot the dark side of the Moon en terug, uit vrije wil en onvoorwaardelijk. Ik zal je nooit bedriegen. Je hoeft nooit te vrezen dat ik op je hart ga stampen en je een dolk in de rug steek. Ik zal je nooit verraden. Liefhebben doe ik op de all the way manier, ook als we niet bij elkaar kunnen zijn. Ik kan niet anders. Ik heb nooit anders gekund.
Maar maak alsjeblieft niet de vergissing te denken dat dit betekent dat je overal mee weg kunt komen. Zie het alsjeblieft niet als een vrijbrief om mij aan te doen wat ik jou zou besparen. Wees een echte kerel. Waardeer wat ik je heb te bieden, maak er geen misbruik van maar laat het een reden zijn om mij nooit te belazeren. Laat de woorden die uit je mond komen oprecht en eerlijk zijn en laat je daden het bewijs zijn van je trouw. Ik vraag je niet goed te maken wat een ander heeft verpest. Zijn fouten zijn niet de jouwe. Maar wanneer jij en ik elkaar ontmoeten, wanneer wij elkaar aankijken en elkaar zien en het verlangen om samen de afslag richting de tweebaansweg te nemen steeds sterker wordt, zorg er dan voor dat het ook echt 'jij en ik' is, en dat het nooit  'jij, ik en een ander wijf' zal blijken te zijn. Je mag je geheimen hebben maar speel geen spelletjes. Knikkeren op het speelplein mag je zonder mij doen, helemaal als je vals speelt. We zijn geen kinderen meer, mijn schatje in spe, het speelkwartier is over, en we weten allebei dat valsspelers de uiteindelijke verliezers zijn want wanneer het bedrog uitkomt, wat slechts een kwestie van tijd is, wil niemand meer met ze spelen.
Ik hoop niet dat ik je het gevoel geef dat ik je nu al loop te beschuldigen vanuit de misvatting dat alle mannen hetzelfde zijn. Ik weet heel goed dat niet alle mannen hetzelfde zijn en ik beschuldig je helemaal nergens van. (Ik ken je niet eens, haha.) Met een beetje mazzel ben je precies de man die ik verdien, wat wil zeggen dat je de man bent die mij verdient. Dat zou ik fijn vinden. Ik bedenk me trouwens ineens iets. Die film waar ik het over had, heb jij die toevallig ook gezien? Het zou kunnen toch? Mannen hebben niet het alleenrecht op overspel plegen en harten breken. Ook vrouwen kunnen bitches zijn. Maar goed, dat zal dan wel ooit ter sprake komen wanneer we eraan toe zijn om elkaar te laten snuffelen in onze respectievelijke rugzakken. Ik ben wel benieuwd naar wat er allemaal in die van jou zit. Ik hoop op weinig lucht en veel inhoud want dat betekent dat je veel levenservaring hebt en dat je door het leven bent gekneed en gevormd en getekend en gekleurd, tot de unieke man die je nu bent en die ooit, op een goede dag, voor mijn neus zal staan.
Mijn aankomende prins in bij voorkeur een stoere auto maar op de fiets mag ook, ik wil je kunnen respecteren. Niet vanwege je baan, het saldo op je rekening, je huis, je kleding, de lengte van je lul of de omvang van je spieren. Ik wil je kunnen respecteren vanwege je trouw, eerlijkheid en gezond verantwoordelijkheidsgevoel. Daar scoor je hoge punten mee en die eigenschappen zorgen er bovendien voor dat ik je je ochtendhumeur, het consequente dutje na sex , je voorliefde voor gerechten die zorgen voor grote hoeveelheden gas én je angst voor de kat vergeef. Love without respect is no love. Als je werkelijk mijn aanstaande Mister Right bent, dan weet je dat.
Ik ga zo maar eens stoppen want anders wordt het een te lange brief. En ik heb gezegd wat ik wilde zeggen. Anders ga ik alleen maar ouwehoeren. Nog niet geïdentificeerde lieverd van me, zorg goed voor jezelf, wees veilig, stel me niet teleur wanneer de tijd daar is en geloof me nou maar, de kat doet echt niks. Tot dan, kus, veel liefs,
                               Yvonne




dinsdag 22 januari 2013

Valentijn

Over een week of drie is het weer Valentijnsdag. En op die dag behoor ik mij als dame met een single status een beetje zielig te voelen. Ach gossie, ben je op Valentijnsdag helemaal in je uppie... Dat heeft tot gevolg dat ik mij als dame met een single status op Valentijnsdag een beetje kwáád voel. Weet je wat ik ach gossie vind? Mannen die in een relatie zitten waarin ze ongelukkig zijn maar die toch 'Happy Valentine's Day' naar hun partner sms-en. Vrouwen die niet weten dat de minnares van hun partner exact hetzelfde kaartje met 100 Valentijns-kusjes heeft ontvangen. Verplicht laten zien dat je van iemand houdt enkel en alleen omdat reclames je het gevoel geven dat je een waardeloze verloofde bent als je niet mee doet aan die hartjes-gekte, dat is ach gossie. Ik ben niet zielig vanwege mijn vrijgezellige status. Ook niet op Valentijnsdag. En ik ben zo vaak in m'n uppie. Soms vind ik het fijn, soms sta ik er niet bij stil en soms voel ik me alleen. Maar zielig? Nee. Nou moet ik toegeven dat ik nooit een fan van deze zogenaamde dag van de liefde ben geweest. Ook niet toen ik een partner had. Ik heb het nooit helemaal begrepen. Waarom zou ik een speciaal gevoel krijgen van een knuffelbeertje made in China, met een plastic rood hartje om zijn nek waarop in lelijke letters staat te lezen: Be My Valentine? Dat wil ik helemaal niet zijn. Ik wil zijn vrouw zijn. Zijn minnares en z'n beste vriendin, ook al maak ik hem af en toe pissig en roept hij dat hij me lastig vindt. Valentine? Ik wil het échte werk. En die beertjes zijn zo lelijk dat de kat er bang van wordt. Ik snap het niet. Ik hoef op 14 februari geen kaartje met I Luv U, gekocht bij de Bruna of de Ako, met aan de binnenkant een goedbedoelde maar mislukte poging van hem om op originele wijze te zeggen dat hij van me houdt. Zo'n kaartje, juist op die dag, is toch helemaal geen verrassing? Verras mij op elke andere dag met uitingen van je liefde maar niet op Valentijnsdag en verras me met iets waarvan je weet dat het waardevol is voor míj en niet voor de fabrikant in China.
 
Ik zal je wat verklappen. Ik ben eigenlijk best wel romantisch. Maar dan wel op mijn manier. Ik doe niet aan strandwandelingen bij zonsondergang terwijl we achtervolgd worden door een violist met zo'n blijde Jehova smile, die onafgebroken 'ons' liedje speelt (de vuile stalker!) en rozenblaadjes de weg wijzen naar een tafel voor twee in een duur restaurant, met kaarslicht en alweer die violist. Halloooh! Ik kom net van het strand af! Er zit zand in mijn butt crack, mijn haar lijkt een bos aangespoeld zeewier, en ik stink een beetje naar de schelpen en stenen die ik op het strand heb gevonden (Omg! Ik stink een beetje naar vis! Op een date!). Ik ben uitgegleden over die kolere rozenblaadjes dus er zit een scheur in mijn jurk, op een delicate plek, ik heb één van mijn schoenen in de golven laten vallen toen ik een poging deed lieftallig en dromerig over te komen, en volgens mij heb ik een splinter. Die violist wil ik met de nog overgebleven schoen op zijn veel te vrolijke bek rammen en ik wil patat met satésaus en geen witlof mousse met kaviaar. Ik heb honger, ja! En ik heb het koud! En mijn ene boob valt eruit! Door die scheur in dat hippe jurkje dat ik pas gísteren heb gekocht! EN LAAT ALSJEBLIEFT DIE VIOLIST OPHOUDEN MET SPELEN! Dat is dus niet mijn manier. Ik ben bijvoorbeeld ook niet van een trouwring verstopt in het eten want geheid ik slik hem door aangezien ik nog wel eens de neiging heb om mijn eten snel naar binnen te proppen. Of ik bijt een kies erop stuk. Dat zou ik pas echt erg vinden. Iets wat je doorslikt en wat niet verteert in je maag kun je later weer terug vinden, als je begrijpt wat ik bedoel. Maar met zo'n kies moet je naar de tandarts. Ik hou wel van een beetje drama op het gebied van de liefde maar de tandarts gaat me toch echt te ver. En verstop die ring nooit, nooit, nooit in witlof mousse. Ik lust geen witlof dus dat eet ik niet. Daar gaat je verrassing.
 
Ik zou trouwens wel graag een echte trouwring willen. Daarin ben ik toch wel veranderd, hoor. Ik trouwde in '95, 32 jaar was ik, op een maandag (want gratis op maandag), op een mooie oktoberdag. Hoewel ik veel van mijn man hield en hij van mij was dat niet de reden om te trouwen. Het zei ons helemaal niks, het huwelijk. We woonden al 12 jaar samen, we hadden drie kinderen, we hadden het goed samen. We trouwden omdat dat handiger was en vanwege de kinderen, die maar bleven smeken of we alsjeblieft wilden gaan trouwen. 'Zullen we dan gewoon maar trouwen? ', vroeg ik hem, op weg naar de markt. 'Ja, het moet dan maar, he?', was zijn antwoord. En dat was het. Ringen hadden we niet, we gaven elkaar een kettinkje met een hanger van lapis lazuli. Ik verkeerde in een fase dat ik weinig met mijn uiterlijk bezig was dus ik ben serieus getrouwd in een of andere lelijke hobbezak van rode fluweel en een mosgroene legging. Wanneer ik ooit weer trouw gaat het anders. Ik wil trouwen uit liefde, alleen uit liefde. Ik wil heel ouderwets gevraagd worden en dat mag ook bij een patatje met satésaus, maar het moet wel uit liefde zijn. Niet omdat het handiger is en niet omdat de kinderen nonstop lopen te fantaseren over hun moeder in een witte bruidsjurk met sluier (maar ik hou wel van jullie, hoor!). Ik wil een echte trouwring en ik wil er mooi uitzien.
 
Wat ik romantisch vind is een nachtelijke wandeling met mijn liefste door de stad, wanneer de meeste mensen slapen. We lopen samen, twee mensen die met elkaar verbonden zijn door een onzichtbaar koord, van mijn hart naar zijn hart en andersom. In de stille stad, met de lichten uit achter de ramen, door bijna verlaten straten. Rozenblaadjes hebben we niet nodig. We gaan zomaar nergens heen, tot we weer thuis voor de deur staan. Onderweg babbelen we, over kleine dingen, over grote dingen, en we zeggen tegen elkaar dat het jammer is dat er zo laat nergens patat met satésaus te krijgen is. We zoenen en daarna babbelen we een tijdje over sex. Onze sex. Af en toe lachen we, we plagen elkaar, en af en toe zijn we even stil, dan lopen we zwijgend naast elkaar en ook die stiltes voelen goed. Hij houdt mijn hand vast tijdens het oversteken en vergeet hem dan los te laten. Ik zeg niks, ik glimlach alleen. In Amsterdam kom je nooit waterkant tekort en dat is mooi, want hij neemt me mee naar een bankje aan het water, waar hij me verrast door me te vertellen hoeveel hij van me houdt, met woorden, met kussen en met de blik in zijn ogen. We kijken naar het water en de bootjes en zo nu en dan kijken we naar elkaar. Dát vind ik romantisch.  Dat vind ik waardevol.

In de sexshop waar ik werkte was het druk rond Valentijnsdag. Het waren vooral heterosexuele mannen die om wat voor reden dan ook die dag als smoes gebruikten om hun sexleven wat op te leuken. Massage-oliën deden het goed, net als lingerie. Chocolade bodypaint en glijmiddel met een smaakje. Misschien is dat het ook wel, waarom ik niet van Valentijnsdag hou? Omdat ik denk dat mensen die dag gebruiken als smoes? Een smoes om weer eens lief te doen nadat jullie al weken ruzie hebben lopen maken om niks, omdat je loopt te stressen over je werk? Een goedmakertje, en misschien ook het sussen van je geweten? Gelukkig, je bent toch geen waardeloze verloofde, je hebt aan je plicht voldaan, met je zoete roze snoepjes en je even zoete woordjes. Is het een smoes om bevestiging te kunnen gaan zoeken? Ik hou van jou, hou jij ook van mij alsjeblieft? Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat ik in liefde geloof. Ik geloof in romantiek. Maar voor mij hebben die twee niets te maken met 14 februari. Dit jaar valt het op een donderdag. Ik denk niet dat ik tegen die tijd een man heb maar mocht die er wel zijn dan hoop ik dat hij er net zo over denkt als ik. Dan hoop ik dat we elkaar verrassen op andere dagen. Spontaan. Wanneer het niet hoeft. Wanneer het echt is. En mocht ik in mijn uppie zijn op Valentijnsdag, dan weet ik al wat ik ga doen. Ik ga een patatje met satésaus halen.

dinsdag 15 januari 2013

Over winter, liefde en tijd

Midden in de zomer zei hij dat het een strenge winter zou worden. Zo'n winter met flinke vorst, een dik pak sneeuw, een heldere blauwe hemel, de zon die ondanks het jaargetijde er in slaagt om je rode wangen te geven en een kou die overal doorheen gaat. Zo'n winter die je ziet op ansichtkaarten. Hij nam een paar grote slokken. En nog een paar. 'Zullen we wedden? Om een donnie'. Met die valse grijns van 'm keek hij haar over een blikje Grolsch aan. 'Je drinkt je bier alsof het limonade is. En ik wed niet met jou. Vergeet het maar. Ik verlies het toch altijd', schudde ze lachend haar hoofd. 'Geloof me nou, schat, dit gaat een zware winter worden. Ik weet die dingen'. Was zij die weddenschap aan gegaan dan had ze dat tientje verloren. Het werd een zware, strenge winter. Hij wist die dingen.

'Soms is tijd je vriend', dacht ze. Veranderingen vragen tijd. Verlies. Verlies van een dierbare, van een baan, een droom, van een doel, verlies van een leven waar je aan gewend was. Tijd biedt je de mogelijkheid om te wennen, geleidelijk aan, met elke tik van de klok. Tijd is ook je vriend wanneer je aan het knokken bent tegen een ziekte of wanneer je langzaam uit een depressie kruipt. Elke minuut dat het een beetje beter gaat motiveert je om verder te gaan. En zo af en toe kun je terecht komen in situaties waarin tijd je grote vijand is. Ze draaide haar hoofd zo dat ze de klok die achter hem aan de muur hing niet meer kon zien. Ze haatte die klok, dat kille, onverbiddelijke en onvermijdelijke ritme van de wijzers. Nog maar een minuut of tien. Haar wang lag in zijn hand, af en toe streek hij een verdwaalde lok van haar haar terug. Ze mistte hem. Wanneer je iemand mist die niet meer terug komt, heb je geen andere keuze dan te accepteren dat je iemand kwijt bent. En omdat je dat weet, ook al verzet je je ertegen, wordt het makkelijker om de tijd zijn werk te laten doen. Weg betekent in zulke gevallen ook écht weg. Voorgoed volledig verdwenen, in ieder geval in dit leven. Het wordt nooit meer zoals het was. Weg is weg. Maar deze man, die haar net bijna aan het huilen had gebracht door zachtjes in haar oor te zingen, omdat hij wist dat ze dat zo mistte, zijn gezang in huis, deze man was weg maar niet weg. Eén uurtje in de week was hij er wel. Zijn weg zijn was bovendien tijdelijk. Niet voorgoed. En niet volledig. Ze mistte hem met een pijn die haar sterk maakte. De pijn was de prijs die ze bereid was te betalen ter wille van de liefde. Het was het prijskaartje dat ze accepteerde, de nota die ze ondertekende, de rekening die ze betaalde voor de faya lobi die ze voelde voor deze man die weg was maar ook niet. De man die terug zou komen. De man die ze één uurtje per week bij haar had. Tijd was haar vijand tijdens dat ene uurtje. 'Dames en heren, het is helaas tijd om afscheid te nemen'. De duivel zelf had haar niet kwader kunnen maken dan deze bewaarder, deze dienaar van de klok, maar ze beet op haar lip. Het was tijd. Om hen heen werd al uitgebreid afscheid genomen. 'Koulo...', hoorde ze hem zachtjes vloeken. Ze keken elkaar aan. 'Nu moet ik je weer een week missen', zei hij en ze zag het bewijs daarvan in zijn ogen. Ze stonden op en hij nam haar in zijn armen. 'Doe je voorzichtig, schat, onderweg naar die oso? Je mag niet vallen. En ik ken je. Jij bent bruya. Kijk je goed uit, ja, mi gudu?' en hij drukte haar dicht tegen zich aan, nog één kus, nog één kus, nog één kus. 'Tot volgende week. Ik hou van je', zei ze tussen de één na laatste en de laatste kus door. 'Ik hou van jou', zei hij, maar er werd op hem gewacht, ze moest hem daar laten en terwijl ze naar de deur liep, met de smaak van zijn kus op haar lippen, riep hij haar achterna: 'Ik bel je, ja, mop? Later, i sabi, na luchten, oké?'. Tijd had weer gewonnen. Zestig minuten waren voorbij in één hartslag. Ze zag hem gaan, lang, gespierd door het trainen maar mager door het slechte eten en de schuld die hij met zich mee zeulde, weg door die deur met de bewaarders, terug naar zijn cel. Altijd was dat het moment waarop ze besefte dat ze weer een week moest wachten voor ze hem weer zou zien. Hem daar moeten laten deed zeer, elke keer opnieuw, en het zou zeer blijven doen.

Natuurlijk zat hij daar niet zomaar. De rechter had hem niet per ongeluk 18 maanden gegeven, maar het was een flinke straf. Soms doe je iets fout omdat je iets goed wilt doen. Ze keek naar de mensen in de rij met haar, wachtend op haar identiteitsbewijs. Veel vrouwen. Oud, jong, dik, dun. Ze zag dat ze de enige witte vrouw was, maar dat was meestal zo. Een dikke baby op de arm van een jonge Afrikaanse vrouw met hele dikke billen begon te huilen. Het was benauwd, ze hadden de kachel flink hoog gezet. Achter haar hoorde ze een dochter haar moeder vragen over het aanstaande gesprek met de advocaat van papa. Bij de toiletten stonden een paar oude dames van Arabische afkomst te wachten, ze droogden hun verdrietige ogen met kleine zakdoekjes. Afscheid moeten nemen van een dierbare in de gevangenis is veel moeilijker dan de meeste mensen beseffen. Het breekt je hart. Je kunt niets doen, je staat machteloos. Erover praten is ook moeilijk, omdat het principe 'Eigen schuld, dikke bult' blijkbaar ook geldt voor die mensen die er voor kiezen om achter hun gedetineerde man, vriend, broer, zoon of neef te blijven staan. 'Je doet het toch zelf? Je hoeft niet bij die vent te blijven. Hij zit vast. Waarom laat je hem niet gewoon?', en probeer dan maar eens uit te leggen dat het zo niet werkt. In ieder geval niet bij haar. Zij had er voor gekozen om haar man trouw te blijven. All the way. In voor -en tegenspoed. Met haar ID op zak liep ze de trap af, achter een moeizaam lopende Surinamer die voor het eerst bij zijn broertje op bezoek was geweest. Privacy tijdens bezoekuur bestaat niet, je hoort en ziet van alles, van zowel de gedetineerden als hun bezoek, de tranen, het verdriet, de ruzies, de liefde, het lachen samen, de gesprekjes, soms persoonlijk en soms zakelijk.  'Hier houden verschillen op te bestaan. We zitten allemaal in 't zelfde schuitje', dacht ze, terwijl ze beneden stond te wachten tot de deur open ging. Ze had niets in te voeren of mee te nemen dit keer en liep door de detectiepoort naar de kluisjes met persoonlijke eigendommen van de bezoekers. Ze zuchtte. Vest aan, jas aan, dikke sjaal, handschoenen. Klaar om terug naar huis te lopen. En toch niet.

Een sigaretje. Haar mp3 speler liet ze in haar zak zitten. Ze wist dat ze bij elk liedje wat haar aan hem zou doen denken, in huilen zou uitbarsten en daar was het nog te vroeg voor. Ze wilde niet dat hij haar zou zien, in tranen, ploeterend door het dikke pak sneeuw, vanuit het raam van zijn cel op de 5e verdieping van de middelste toren. Hij zou daar staan, zoals elke week, achter zijn raam, achter beton, tralies en prikkeldraad. De zon scheen in haar ogen en ze moest haar ogen afschermen voor het felle licht om hem te kunnen zien in de verte. In haar rug voelde ze de nieuwsgierige blikken van de studenten die in de containerwoningen naast de bajes woonden terwijl ze het besneeuwde en bevroren grasveldje tussen die metalen legoblokken op liep. Altijd hetzelfde liedje. En ze hadden geen idee. Achter zijn raam kon ze hem zien staan. Daar stond hij, haar kerel, die zoveel mensen pissig had gemaakt door met zijn kop op tv te verschijnen. Opsporing verzocht. 'Herkent u deze man of heeft u tips over zijn identiteit of verblijfplaats? Bel dan onderstaand nummer of neem contact op met de lokale politie'. Een medewerker van een uitzendbureau waar hij ooit voor had gewerkt had hem verraden. In de verklaring die ze later had gelezen stond: 'Ik herkende hem meteen. Ik vond hem altijd al verdacht'. Terwijl een paar weken na zijn arrestatie een sms was gekomen met de vraag of hij geïnteresseerd was in een baan. Via dat uitzendbureau. Van dezelfde medewerker. Gedetineerden noemen (langdurig) vastzitten 'branden'. Ze kon niet langs dat uitzendbureau lopen zonder de man in kwestie naar de hel te wensen, in zijn keurige pak, met zijn hypocriete maniertjes, waar hij ook zou branden, met zijn zogenaamde burgerplicht. Op haar gezicht verscheen een brede lach en ze slikte de opkomende tranen weg. Met haar ogen half dicht geknepen tegen het zonlicht zag ze dat haar schatje zijn witte shirt uitgetrokken had en uitgebreid naar haar stond te zwaaien, zijn t-shirt een wapperende witte vlag tegen het donker van de cel achter hem. Zijn chocoladekleurige lichaam was onzichbaar geworden in de schaduw maar ze zag hem wuiven, met dat t-shirt wat ze ooit voor hem gekocht had. Hij deed het voor haar. Uiting geven aan je liefde kan op heel veel manieren. 'Tot volgende week, man van mijn hart!', riep ze, zwaaiend en kushandjes werpend, schijt hebbende aan haar publiek en aan het feit dat de man van haar hart haar niet kon horen. Vanachter diverse andere ramen in de toren werd er terug gezwaaid. 'Keep your head up!'. Ze dwong haar benen te gehoorzamen, draaide zich om en liep met rechte rug, de blikken van de studenten trotserend, richting huis.

Terwijl ze de torens achter haar liet en hij met elke stap die ze nam een beetje verder van haar verdween, sneed de ijskoude wind in haar gezicht. Onder het treinviaduct tussen station Spaklerweg en het Amstelstation hield ze even stil. 'Fuckerdefuckerdefuckshit tering sneeuw!'. Het was geen zelfmedelijden waardoor ze begon te snikken. Het was haar vrije keuze om bij deze man te blijven en die keuze had ze bewust gemaakt. Ze was een volwassen vrouw en ze accepteerde de consequenties van haar keuze. Maar het verdriet en het gemis, wat de eerste paar dagen na het wekelijkse bezoekuur altijd heviger werd, lieten zich voor heel even niet meer onderdrukken. 'Teringkutklotefuckshit kolere winter!'. Ze stak nog een sigaret op en veegde halverwege het roken met haar handschoenen de tranen weg. 'Genoeg nu. Je gaat hier niet staan janken in de vrieskou, als een zielig klein meisje. Je komt eruit te zien als een freakin' panda met je uitgelopen mascara. Je gaat naar huis. Nu'. Adem in, adem uit, nog een paar diepe zuchten, het leven ging door no matter what, en de frustraties trotserend liep ze verder. Het was een winter zoals je ziet op ansichtkaarten. De winter die hij had voorspeld, midden in de zomer.

dinsdag 1 januari 2013

Begin

Het volgende verhaal heb ik louter en alleen voor mezelf opgeschreven. Ik geef het eerlijk toe. Ik ben er weken mee bezig geweest, in mijn hoofd en op mijn laptop. Het zijn herinneringen die bijna dagelijks opduiken, in flarden, nog steeds, na bijna zeven jaar, en waar ik zelden over praat. De flarden heb ik bij elkaar verzameld en ik heb er één geheel van gemaakt. Het is mijn versie, mijn verslag, zoals ik het beleefd heb, die immense ommekeer in mijn leven. Ik heb mijn lezer bij deze gebombardeerd tot aanhoorder van een stukje drama, dat niet veel mensen meemaken, wel wetende dat het ook bij jou emoties zal oproepen. Ik stel me voor dat jij, lezer, hier bij mij op de bank zit, en ik zit op de grond, met mijn rug tegen de kachel, de kat naast me of misschien wel bij jou op schoot. Het is avond, buiten is het stil, en binnen vertel ik je mijn verhaal. We drinken een glaasje, ik rook mijn jointje, en natuurlijk mag je een trekje, mijn gewaardeerde praatpaal, mijn meer dan welkom luisterend oor...

Over een week of zes is het 23 februari. Voor ieder van ons heeft deze datum een andere betekenis. Misschien is het je verjaardag, of de trouwdag van je zus, of vier je die dag het feit dat je 10 jaar clean bent, of dat het 5 jaar geleden is dat je uit de kast kwam. Misschien is wel een doodgewone dag voor jou, zonder enige meerwaarde. Voor mij is 23 februari de dag waarop Moos stierf. Op de overlijdensakte staat 24 februari 2006, maar voor mij ging hij dood op die donderdagavond, de 23ste, tijdens de wedstrijd AZ - Real Betis.

Al dagen liep ik rond met het gevoel dat er een vreemde kilte in huis was getrokken, alsof er iemand rondliep die de kou van buiten had meegenomen. Moos had griep. En hij was er behoorlijk ziek van. Te ziek, naar mijn mening. Waar ik niets van begreep was dat ik van Moos de huisarts niet mocht bellen. Hij at niet, hij sliep niet, hij poepte zichzelf helemaal leeg, hij had pijn in zijn borstkas en was non stop benauwd, ondanks een hogere dosis astma medicijnen. En wat werd hij pissig toen ik hem vertelde dat ik toch de huisarts had laten komen. Longontsteking, concludeerde deze, en ik schaamde me omdat ik blij was dat ik gelijk had gekregen. Een ziekenhuisopname was niet nodig. Wel moest ik langs de apotheek voor antibiotica en slaappillen. Ik weet nog dat ik terug naar huis fietste, met een tasje medicijnen aan het stuur, en dat ik vurig hoopte dat ik Moos levend zou aantreffen bij thuiskomst. Ik snapte mijn angst niet. Hij had al vaker een longontsteking gehad, vanwege zijn astma, inclusief ziekenhuisopnamen, en dat had hij overleefd. Eén keer had hij zichzelf zelfs uit het OLVG ontslagen, na er een paar dagen te hebben gelegen met ontstoken longen.

Maar Moos leefde nog toen ik boven kwam en hij was sacherijnig. Hij weigerde de slaappillen en begon ruzie met me te maken, en ik huilde stiekem in de woonkamer omdat ik zo moe was, en zette daarna de voetbalwedstrijd op, het volume laag. De meiden (die toen 20, 19 en 17 waren) waren de hort op dus ik at in mijn eentje. Kipschnitzel met gebakken aardappeltjes en sla, maar ik kreeg geen hap naar binnen. Elke 15 minuten ging ik even checken bij Moos. En elke keer was ik bang om die kamer binnen te stappen. Waar ik ging, ging een ijzige schaduw met me mee, ik kan het niet anders uitleggen. Ik kon het voetbal niet volgen omdat ik gespitst was op elk geluidje in huis en ik raakte het rotgevoel maar niet kwijt dat er iets ergs stond te gebeuren. Ik gaf de vermoeidheid de schuld. Tot ik één van de hondjes (we hadden er destijds twee) ineens door de woonkamer zag sluipen, zijn oren plat, staart tussen de benen, richting de hal, richting de slaapkamer waar Moos lag. Mijn hart begon harder te kloppen, ik kreeg het koud en mijn maag draaide zich om. Ik was zó bang. En toch legde ik mijn vork neer, ik stond op van de bank en met lood in mijn benen liep ik achter Robbie, ons hondje, aan. Ik durfde de deurkruk niet omlaag te duwen maar ik raapte al mijn moed bij elkaar en echt, ik was de dapperste der dapperen en tegelijk ben ik nog nooit zo bang geweest als toen ik die deur open deed.

Het licht was uit. Ik hoorde niets in het donker. Geen ademhaling, geen beweging. Het was er doodstil. Robbie sloop terug naar de woonkamer, waar Nina Louise, ons andere hondje, op hem wachtte. Mijn hand vond de lichtknop, oh, geef mij kracht, geef mij kracht, en ik stapte naar binnen. Hij lag daar. Dekens van hem afgetrapt, in alleen een boxershort. Op zijn rug lag hij, hoofd ietwat gekanteld, benen gestrekt en armen gespreid, als Jezus aan het kruis. Zijn ogen waren gesloten. Een klein bruinig straaltje bloed kwam uit zijn mond en liep langs zijn rechter mondhoek naar beneden. Hij ademde niet meer.

De wereld zoals ik die kende knalde in miljoenen stukjes uit elkaar. De adrenaline droop zo ongeveer uit mijn poriën, ik begon te trillen en te klappertanden en voor heel even kon ik niet meer nadenken, maar daarna trad de automatische piloot in werking en ik belde 112. De volgende paar minuten was het alsof ik me in een glazen, afgesloten bubbel bevond, samen met het levenloze lichaam van mijn man, en de stem van een aardige dame, die me kalm uitlegde wat ik moest doen. Mond-op-mond beademing en hartmassage. Ik had het nog nooit gedaan. Maar eerst moest ik Moos van het bed slepen want hij moest op de vlakke vloer liggen. Hij was zwaar en ik liet per ongeluk zijn hoofd stoten tegen een nachtkastje, sorry, schat. Ik maakte me zorgen of het een dikke bult zou worden. Ik kan niet goed uitleggen hoe het is om je partner mond-op-mond beademing te moeten geven. De angst giert door je lichaam en je wilt het liefst schreeuwen om het uit je te krijgen, maar een ander deel van jezelf, de automatische piloot, weet zichzelf griezelig goed te beheersen, en aangezien hij in control is doe je wat er gedaan moet worden. Ik had geen idee wat ik deed maar ik deed het, ik volgde stap voor stap de aanwijzingen van de 112 dame op, tot de bel ging. De ambulances. De bubbel barstte en voor ik het wist had ik een huis vol medisch personeel en agenten. 'Kent u deze man?', werd me gevraagd, tot twee keer toe. Ik werd naar de woonkamer geloosd en in aanwezigheid van een paar agenten belde ik de meisjes.

Je kinderen moeten vertellen dat hun vader niet meer ademt gaat zó in tegen je behoefte om hen te beschermen, maar gelukkig lijken je emoties in zulke situaties wel onder verdoving te zijn gebracht. Ik was me ervan bewust dat ik in shock was en ik was er dankbaar voor. Vanaf dat moment zitten er hier en daar wat lege plekjes in mijn herinneringen. Ambulance personeel, agenten, brandweermannen, de straat vol met buren en wagens en lichten. Onwerkelijk. De meisjes kwamen thuis en ik had geen idee wat ik moest zeggen. Alles wat uit mijn mond kwam klonk onecht. Terwijl in de ene kamer geprobeerd werd (met succes) Moos' hart weer aan het kloppen te krijgen werd ik apart genomen. 'Gebruikte uw man coke?', vroeg iemand van de ambulance. Nee, dat deed hij niet. Hoezo? 'We begrijpen het niet. Hij had alleen een longontsteking toch?'. Het werd me later weer gevraagd, tijdens de rit naar het VU ziekenhuis. De sirene en de zwaailichten waren aan en de man achter het stuur van de ambulance reed zo hard dat ik me moest vasthouden. We reden door een rood stoplicht en ik was bang dat we een ongeluk zouden krijgen. 'Ik zit voor het eerst van mijn leven in een ziekenauto. En nee, mijn man heeft zijn hele leven geen enkele harddrug aangeraakt'. Moos lag in de ambulance die ons volgde. De kinderen waren intussen aan het zorgen voor een taxi, want er was geen plaats meer. Onderweg stopte zijn hart opnieuw maar ze wisten hem te reanimeren, en hij werd direct naar de intensive care gebracht.

Ik moest wachten, en tijdens dat wachten sloeg de paniek weer toe, de automatische piloot was blijkbaar aan een pauze toe, en ik ging bijna onderuit. Terwijl ik wachtte, op nieuws en op de komst van de kinderen, drinkend van thee met veel suiker tegen het dreigende flauw vallen, werd ik aangesproken door een oudere vrouw, die tegenover me zat in die wachtkamer. 'Het is de straf van God dat onze naasten hier nu liggen,' zei ze en ik wilde haar zure kop wel van d'r lichaam rukken, zoveel haat voelde ik ineens naar die wildvreemde vrouw. Een verpleegkundige nam me mee naar een andere ruimte en de vrouw kreeg een uitbrander. De meisjes kwamen, bleke gezichten en ogen vol angst, plus wat familieleden en vrienden, en we moesten allemaal poepen, de een na de ander. Het wc papier was ruw en grijs en deed pijn aan je kont. Toen ik bij Moos werd gebracht lag hij aan allerlei slangen en apparaten. Zijn hart klopte wel maar zo zacht en langzaam, als een boom in de herfst die weigert zijn laatste blaadjes los te laten. Hij kon niet zelfstandig adem halen. Het zag er somber uit. En ik, ik was er wel maar ik was er ook niet. Een andere Yvonne maakte het mee en ik beleefde het mee via haar.

Inmiddels was het 24 februari geworden. 'De kans dat uw man bijkomt is heel klein. Bovendien hebben zijn hersenen te lang zonder zuurstof gezeten. Mocht hij door een wonder toch bijkomen, dan zal hij zware hersenbeschadigingen hebben. U krijgt nooit meer de man terug die hij was'. Die laatste zin maakte de beslissing makkelijker te nemen. Hoewel Moos het meestal vermeed om over de dood te praten (te confronterend) had hij me wel laten beloven hem niet kunstmatig in leven te houden, mocht er ooit iets verschrikkelijks met hem gebeuren. Ook was hij altijd bang voor aftakeling, zowel lichamelijk als geestelijk, hij was trots op zijn lichaam, zijn kracht, en het idee dat hij die kracht zou verliezen stond hem helemaal niet aan. Samen namen we de beslissing om hem te laten sterven. Ik nam afscheid van hem. 'Het is goed. Je mag nu loslaten. Maak je geen zorgen, je dochters en ik zijn sterk en we hebben elkaar, wij redden het wel. Ga nu maar, het is goed'.  Maar terwijl ik die woorden sprak, wist ik eigenlijk al dat hij al weg was. Ik schijn daarna op de gang, daar in het ziekenhuis, in elkaar te zijn gezakt, maar dat kan ik me niet herinneren. Mijn meisjes vertelden me het later.

Zes weken later kwam de uitslag van de autopsie, waar ik toestemming voor had gegeven omdat niemand begreep hoe een gezonde man van 43 zo onverwachts dood kon gaan aan een simpele longontsteking. Moos bleek een zeer agressieve vorm van lymfklierkanker te hebben, in het laatste stadium. De kanker zat verspreid door zijn hele lichaam. Niemand die het wist, ook niet de huisarts en ook Moos zelf niet. Onzichtbaar had de kanker hem van binnen opgegeten en zijn lichaam had niet de kracht meer om te knokken tegen die longontsteking. Hij zou hooguit nog drie vreselijke, slopende maanden te leven hebben gehad, want er viel niets meer aan te doen. Dankzij de longontsteking is hem dat bespaard gebleven, en daar ben ik intens dankbaar voor. Het feit dat hij niet heeft geleden maakt het niet in staat zijn geweest afscheid van hem te nemen toen hij nog leefde, meer dan goed.

Dit was het verhaal wat ik aan je kwijt moest. Ik heb het je verteld zonder schroom, eerlijk en open, zoals ik het heb beleefd. Zijn dood heb ik al lang een plekje gegeven. Een nieuwe wereld moest ik betreden, een wereld zonder de man waar ik 25 jaar mee had geleefd, en dat heb ik gedaan. Maar de dingen er omheen, rond zijn overlijden, die verschrikkelijke avond en nacht, daar ben ik nog niet klaar mee. Vooral dat moment waarop ik die deur opendeed en die doodse stilte hoorde en voelde, en het volgende ogenblik, die foto, dat plaatje, dat schouwspel, en dat puur, zuiver, helder en verpletterend weten: mijn man is dood... Daar heb ik nog steeds last van. Maar waar ik voorheen niet verder durfde te denken dan voorbij mijn hand op de deurkruk, zo durf ik sinds kort de hele film terug te zien. De kamer waarin Moos is gestorven wordt nu gebruikt als logeerkamer (ik heb hem goed gereinigd) en de levenslust van zijn kleindochter, die haar opa nooit zal ontmoeten, heeft de doodsschimmen voorgoed uit die kamer verjaagd. Langzaam maar zeker raken de herinneringen aan de gebeurtenissen op 23 en 24 februari hun angstaanjagende karakter kwijt.

Ik snap dat het nu tijd voor je is om naar huis te gaan. Het was misschien niet de vrolijkste manier om 2013 mee te openen maar ik ben blij dat je er was en dat je naar me luisterde. Ik heb vandaag een nieuw begin gemaakt, zoals hoort op de eerste dag van het nieuwe jaar. Dankjewel. Hier is je jas, kleed je goed aan want het is koud en het is al laat. Luister, want ik wil je nog één ding zeggen voor je weggaat, en laat me je even vasthouden: vier het leven, schat, en geniet van al het moois om je heen. Gelukkig Nieuwjaar! Oh, en sorry voor de kattenharen...